NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 11 (06052009)

Zaterdag, 11 april 2009. Om me heen bergruggen van vertikaal gestapelde platen gestold lava die tussen de 1.500 en 2.000 meter hoog zijn. De kleur van de rode zandsteen licht prachtig op door de stralende zon. De kleur van lichtrode bakstenen die ze in Argentinië perfect omschrijven met “ladrillo – baksteen”, de kleur waarin de muren van mijn badkamer zijn geschilderd. Geen wonder dat ik me hier in de verlatenheid zo op mijn gemak voel. De rit over de 17 kilometer lange pas is meer dan de moeite waard. Het sterft er van de uitgebloeide aloë’s en protea’s, de herfst is drie weken geleden begonnen. Veel onverwachte stroompjes. Er zouden 23 oversteken zijn, ik tel ze niet. Aangekomen op het hoogste punt van de Seweweekspoort, een zeer tot mijn verbeelding sprekende naam, dwingt een t-kruising tot het maken van een keuze: links of rechts afslaan? Linksaf is naar nergens, er staat geen bord, dezelfde weg terugnemen daar heb ik geen zin in. Hoewel ik een binnenpretje heb bij het zien van het bord “Seweweekspoort 60km/h”, alleen iemand die levensmoe is, rijdt hier harder. Dan maar rechtsaf naar “Gamkapoortdam 25km – Geen deurpad na Prins Albert”. Van een eerdere rit over de Swartbergpas weet ik dat daar ergens het vrijwel onbereikbare gehucht Die Hel moet liggen. Aan het begin van het smalle zandpad staat een in elkaar gezakt - tol? – huis, links opeens weer groene landerijen. Vanuit de vallei in de diepte, Ladismith ligt ruim 500 meter boven de zeespiegel, naar de duizend meter hoger gelegen vlakte geklommen. Door redelijk onbegaanbaar en droog terrein en dan toch, net zoals overal in de West-Kaap, weer enorme landerijen aantreffen. Het zou me niet meer moeten verrassen, maar doet het toch. Na een kilometer of tien sta ik voor een grote gesloten poort, het begin van een “private nature reserve”. Dat is het allerlaatste waar ik zin in heb, rechtsomkeert derhalve.

De Seweweekspoortpiek, met 2.325 meter de hoogste bergtop van de Klein Swartberge, voorbij. Een eindeloos lijkend “grondpad” op, een zandweg. Af en toe akkers, een enkele boerderij in de verte, een gehucht dat Rouxpos heet, de begraafplaats van de familie Basson. Bij sommige wat grotere boerderijen hangen aan de elektriciteitspalen verkiezingsposters. Zonder uitzondering lacht ANC voorman Jacob Zuma me toe. Over anderhalve week wordt er gestemd. Zou iedere stem op het ANC in de West-Kaap soms dubbel tellen? Anders doe je toch niet zoveel moeite om zieltjes te winnen in een vrijwel onbewoonde streek? De Towerkop komt weer in beeld, aan de andere kant van de bergrug moet Ladismith dus liggen. Na zo’n 50 kilometer begint het asfalt weer, helaas niet voor lang. Rechtdoor is de Rooinekpas – “rooinek” is een Afrikaans scheldwoord voor een Engelsman – en het stadje Laingsburg, linksaf de weg terug naar Ladismith. Jawel hoor weer een zandweg, waar aan het begin een troep apen het weinige verkeer observeert. Heuvels, bergen in de verte, af en toe een veerooster, er moeten dus mensen of tenminste vee wonen. Zo maar midden in de leegte een groot bord met “Welcome to EDEN” erop, ongerept paradijselijk lijkt het hier zeker, hoewel de Zuid-Afrikaanse regelneven er nog wel even een bord hebben geplant dat de grens aangeeft tussen de Grote Karoo en de Kleine. De grond is er bezaaid met menselijk afval, vooral gebroken bier- en wijnflessen. Het moet hier regelmatig stukken gezelliger zijn dan dat ik op deze Paaszaterdag ervaar. Die paar borden veranderen overigens niets. De weg stoft door, de begroeing van laag fynbos blijft hetzelfde, de Towerberg bekijkt het geheel stoďcijns. Morgen even opletten of aan de andere kant van het grensbord het verloren paradijs ligt.

De NRC adverteert regelmatig met “Academische Reizen” naar Zuid-Afrika. Het enige academische aan zo’n reis is dat de gids een afgestudeerd theoloog is, dat is althans mijn indruk. Ik organiseer mijn eigen, dus niet academische reizen, doch wordt met enige regelmaat wel door Zuid-Afrikaanse academici vertroeteld in de pensions waar ik overnacht. Doodgewoon omdat ze min of meer door de post-Apartheid omstandigheden werden gedwongen om zelfstandig ondernemer te worden. Zo ook bij terugkomst in Ladismith. Bernie en Elizabeth, de eigenaren van Albert Manor, hebben elkaar op de Universiteit van Stellenbosch leren kennen. Hij studeerde theologie en later “sielkunde”, “Op twee manieren bezig zijn om zieltjes te redden, dat lijkt me wel wat”, zeg ik plagend tegen hem. Hij beaamt het vriendelijk, zo niet zalvend, en vertelt wat flauwe anectdotes uit zijn pastorale leven. Want in zijn nieuwe rol wordt hij geacht onderhoudend te converseren met de gasten. Daar ik de enige ben, is er vandaag – wat mij betreft – geen sprake van gedeelde smart. Zij studeerde Nederlandse Taal en Letterkunde en is in het kombuis – de keuken – bezig met de voorbereidingen voor mijn avondmaal. Geheel onvoorbereid en onbedoeld zijn ze in het toeristenbedrijf beland. Na de verplichte pensioenering van Bernie als predikant van de Nederduitsch Gereformeerde Kerk wilden ze weg uit Port Elizabeth, zijn laatste standplaats, omdat ze het zat waren achter prikkeldraad te leven. Ze kochten Albert Manor als “aftreewoning” hun pensioenhuis. Nooit met de bedoeling om het erin gevestigde guesthouse voort te zetten. De verkopende eigenaresse wist hen te overtuigen het een tijdje te proberen “omdat het zo’n afwisselend bestaan is”. Nu willen ze niet anders meer. En toegegeven, de academisch maaltijd van Elizabeth smaakt heel wat beter dan de professioneel bereide routinehap van gisteravond in het lokale restaurant. Of zouden academische reizen, net zoals academische maaltijden gewoon flauwekul zijn? Ik denk van wel.

wordt vervolgd