Eind december 2006, bracht ik met een bevriende Dominicaanse antropologe een bliksembezoek aan Haïti. Zondag 10 januari 2010 - de familie viert Driekoningen - bel ik met haar en haar moeder. Morgen vroeg moet ze namens de NGO waarvoor ze werkt naar Port-au-Prince. Dinsdag 12 januari beeft de Haïtiaanse aarde. Woensdag rond lunchtijd komt het bericht dat het kantoor van de NGO is ingestort, maar het hotel in Petion Ville waar ze verbleef het heeft gered. Opluchting alom. De aardbeving schudt ook mijn herinneringen aan ons korte bezoek wakker. Snel opschrijven voordat de Haïtiaanse herinneringen opnieuw vervagen.

HAITIAANSE HERINNERINGEN. (18012010)

De eerste luchtopnamen van Port-au-Prince na de aardbeving, die op vrijwel alle televisiekanalen die ik kan ontvangen zo’n beetje gelijktijdig worden uitgezonden, doen sterk denken aan het centrum van Rotterdam na het Duitse bombardement van mei 1940. Vooral die kathedraal zonder dak met al dat puin er omheen, net de Laurenskerk van toen. De luchthaven “Toussaint Louverture” is redelijk ongeschonden door de aardschokken heen gekomen, stukken beter dan het Rotterdamse vliegveld Waalhaven destijds de Duitse bommen weerstond. Dankzij de noodlottige aardbeving van 12 januari, kennen opeens heel wat meer mensen de naam Toussaint Louverture. Hetgeen niet wil zeggen dat ze opeens ook zouden weten wie of wat hij was. Zoiets als Schiphol of Zaventem? Of toch meer zoiets als Charles de Gaulle? Meer als Charles de Gaulle dus. Tien jaar of langer geleden las ik een boek over de slavenopstand tegen het Franse gezag in de kolonie Sainte-Dominigue, die op 1 januari 1804 werd afgesloten met de onafhankelijkheid van Haïti, het westelijke derde deel van het eiland Hispaniola. Toussaint Louverture was één van leiders. Het boek las als een schelmenroman, met als hoofdschelm de briljante strateeg Toussaint, die het toch maar mooi voor elkaar kreeg dat de Fransen hun allerrijkste kolonie opgaven. De prijs die moest worden betaald voor de officiële erkenning door Frankrijk, zou het land tot eeuwige armoede veroordelen. Het was in de tijd dat de kolonisatoren een bruidschat meekregen in plaats van de gekoloniseerden.

Toussaint was de zoon van een uit Dahomey – nu de West-Afrikaanse Republiek Benin – ingevoerde slaaf met koninklijk bloed, die tot de ethnische groep Fon behoorde. Destijds een onafhankelijk en krijgslustig volk – Amazones! - dat zich onder meer bezighield met de slavenhandel vanuit het stadje Ouidah aan de toenmalige Slavenkust. Die vader moet iets verschrikkelijks hebben misdaan om tot de slavernij te worden veroordeeld. Abomey was de hoofdstad, voodoo (Vodun) de godsdienst. Ik heb zowel Abomey als Ouidah enige malen bezocht. Er moeten erg veel Fon naar Haïti zijn verscheept, want hoe kan het anders dat hun traditionele godsdienst daar tot op de dag van vandaag zoveel invloed heeft. De Afrikaanse invloeden op de cultuur van landen waar de slaven terecht kwamen, houdt me bezig sinds ik van de westkust van Afrika naar Brazilië verhuisde. Al doende maakte ik kennis met een Dominicaanse antrolopologe, zus van een collega, met dezelfde passie. Zij, een mengeling van zwart en indianenbloed, was nog nooit in Afrika geweest, terwijl ik er lang heb gewoond en ooggetuige was van veel ceremonieën, de voodootempel van de Python in Ouidah bezocht, had gesproken met nazaten vanuit Brazilië teruggekeerde of door de Britten op zee bevrijde slaven – makkelijk te herkennen aan hun Portugese en Engelse achternamen - en andere Afrikaanse zeden en gebruiken van nabij had geobserveerd, die zij alleen van horen zeggen kende. Ze was bezig met de voorbereiding van haar proefschrift met de mooie titel: “De Afrikaanse herkomst in de Dominicaanse samenleving: tussen blanke gezindheid en negrofobie”. Ongevraagd werd ik als “meelezer” aangesteld. Want, zo zei een professor aan de Universiteit van Santo Domingo, “jij bent sociaal antropoloog, een collega!” Soms overkomen dit soort dingen me zomaar.

We kletsten uren over van alles en nog wat, ze troonde me mee naar de zondagse familielunch. Daar werd ik zonder verdere vragen of commentaar opgenomen in de familiekring van 10 kinderen en ontelbare kleinkinderen. Kleine gezinnen zijn een bewijsbaar taboe. Mamí, de mater familias, zag me geloof ik als een potentiële verloofde voor de wildste van haar zes dochters. Ze noemde mij “mi hijo – mijn zoon”, als kerstcadeau kreeg ik drie witte zakdoeken waarop ze hoogstpersoonlijk mijn naam had geborduurd. Ik onderging het zondagse ritueel als een verfrissende douche. Want een ritueel was het. Rond een uur of één verzamelen, meestal bij Mami thuis. Ieder van de dochters en schoondochters had een gerecht bereid, koud bier werd telefonisch besteld en door een bromfietsbezorger bezorgd, de mannen speelden fanatiek domino op een speciale dominotafel die overal mee naartoe werd gesleept. Domino! De laatste keer dat ik het speelde was met mijn in 1968 overleden grootvader. Spelenderwijs werden me de spelregels opnieuw bijgebracht en ik, die in mijn hoofd had dat het een kinderspelletje was, werd in minder dan geen tijd een dominoverslaafde.

De antropologe nam me mee naar plekken waar zelden een toerist kwam en nog minder vaak een witneus. Zo ook, bijna op de kop af drie jaar geleden, naar Haïti. Dat moest min of meer in het geniep, van mijn werkgever mocht het beslist niet. Te gevaarlijk. Eerder in het jaar waren twee Haïtiaanse medewerkers ontvoerd, die na het afschuiven van wat geld door hun familie weer werden vrijgelaten. De externe accountants controleerden de Haïtiaanse boekhouding in Santo Domingo, het filiaal in Port-au-Prince was opgeheven. De meeste aktiviteiten van mijn werkgever waren verkocht, er stonden alleen nog wat lappen grond op de balans. Op één ervan was een politiebureau gebouwd, de rest was overwoekerd door sloppenwijken. Nee, daar moest ik beslist wegblijven. Vlakbij en toch zo ver weg. Toch wilde ik er hoe dan ook naar toe, voor heel even maar. De aardbeving van 12 januari 2010 schudde ook mijn herinneringen aan dat korte bezoek weer wakker.

wordt vervolgd