In Nederland is het tekort aan strooizout een vrijwel onoplosbaar probleem. In het Europarlement staat een verbod tegen de handel in ijsberen hoog op de agenda. Het Zwitserse Hooggerechtshof beveelt dat 4 miljoen geblokkeerde euro’s moeten worden teruggegeven aan Bébé Doc Duvalier. Die schijnt dat geld veel harder nodig te hebben om in Parijs te kunnen overleven, dan zijn voormalige onderdanen in Port-au-Prince. Er zijn niet bevestigde berichten dat in Haiti zout wordt ingezameld om het Nederlandse volk bij te staan in zijn strijd tegen de elementen, er handtekeningen worden ingezameld om de ijsberen te beschermen en dat met veel begrip is gereageerd op het Zwitserse standpunt dat Bébé Doc zijn gejatte geld mag houden.

HAITIAANSE HERINNERINGEN - 4 (31012010)

Aan de Dominicaanse kant van de grens geen afgedankte kleding, geen geïmproviseerde kramen van stokken, oude gordijnen of stukken plastic. Maar een keurig overdekte markt met een marktplein ernaast, met geuren, kleuren en het opgewekte gelach en gekakel waardoor mijn neus, ogen en oren zich na jaren opeens weer herinneren hoe het was om op de markten in Cotonou, Lomé of op de Lekkimarkt van Lagos rond te slenteren. Aan die van Lekki, aan de buitenkant van Victoria Island, bewaar ik de mooiste herinneringen. Net zomin als hier deed men daar aan prijskaartjes, alles moest worden onderhandeld. Afdingen is best leuk als je er eenmaal aan bent gewend, tot en met de prijs van een taxirit – geen meters! – toe. Op die markt in Lagos moest ik “blanke” prijzen betalen, mijn geliefde aanvankelijk “zwarte” totdat men er achter kwam dat we bij elkaar hoorden. Daarna betaalden we allebei een prijs die er tussenin lag. De vrouw van een blanke kon zich immers best iets meer veroorloven? Zowel in West-Afrika als hier zijn het vrouwen die de marktkramen, of wat daar voor doorgaat, bemannen. Microbedrijfjes zijn het, de lokale zzp-ers, die prachtig rode tomaten, gedroogde vis - je kunt de Caribische Zee bijna ruiken - yams, zoete aardappelen, okra, bakbananen en enorme watermeloenen verhandelen. Wat heb ik dit, zonder het te weten, gemist!

Vergeleken met onze kamer in hotel Doña Chava in Pedernales, moet een kloostercel zoiets als een kamer in een vijfsterrenhotel zijn. Buitenlandse toeristen hebben heel weinig te zoeken in het meest zuid-westelijke dorp van de Dominicaanse Republiek en zullen er evenmin iets vinden. “Doña Chava is het beste hotel van het dorp”, verzekert de antropologe me. Iets anders zoeken heeft geen zin. Schone lakens en een douche zijn mijn minimumeisen. De lakens lijken schoon en de douche produceert iets dat op een motregentje lijkt. Air conditioning zou beter zijn geweest, maar de fan aan het plafond kan er mee door. In dit voorportaal van het armste land van het westelijk halfrond is dit dus een luxe hotel, waar om een uur of drie mijn nachtrust ernstig wordt verstoord. Nee, niet door de antropologe, we delen wel dezelfde kamer, doch niet hetzelfde bed, maar door Juan Luis Guerra. Nee, niet door de populaire Dominicaanse zanger zelf, maar door een disc jockey die het nummer “A pedir su mano” als uitsmijter van zijn optreden draait. Twee, drie keer, zó knalhard, dat het in Pedernales en wijde omgeving te horen moet zijn. Zelfs tot in Haïti, aan de andere kant van de grens. Grensoverschrijdende geluidsoverlast, weer eens wat anders. Er zijn best dingen waarvoor ik midden in de nacht mag worden wakker gemaakt, maar dit hoort daar beslist niet bij. Juan Luis studeerde gelijktijdig met de antropologe aan de Universiteit van Santo Domingo, ze wil geen kwaad woord over hem horen. Behalve dan dat hij sinds zijn overgang naar de Pinkstergemeente wat saai is geworden en heeft geprobeerd om haar te bekeren. Vergeefse moeite. Zij is veel te veel bezig met de traditionele godsdiensten die door de slaven uit Afrika zijn meegebracht. Iets dat door “echte” gelovigen, wat dat dan ook mag zijn, als “heidens”, “afgoderij” en “ongeloof” wordt veroordeeld. En dat terwijl er in de Bijbel toch duidelijk staat: “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt, want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden”. Mooie en zeer ware woorden.

Na het ontbijt nog een keer naar Haïti. Het is stukken rustiger. Geen markt, niet veel mensen en geen enkele interesse bij hen die geacht worden de grens te bewaken. De douanebarak, een minimalistisch houten optrekje dat elders een minder gewenst tuinschuurtje zou zijn, ligt er verlaten bij. De douaniers slapen uit of hebben misschien gewoon een vrije dag. De smokkel, want daar lijkt het op, van zware keien naar Haïti gaat gewoon door. Die worden gebruikt om de rivieroever te versterken, zoals dat elders wordt gedaan met basaltblokken. Die lange rij vrouwen met vermoeide gezichten en met ieder een grote kei op het hoofd, was me gisteren ook al opgevallen. Van rechts naar links op blote voeten door de rivier. Mannen zijn onzichtbaar, vrouwen doen het zware werk, net zoals op het continent van hun voorouders. Wij wandelen Anses-á-Pitre in, het grensdorp aan de overkant. Een eenvoudige kliniek, waarschuwingen tegen HIV/AIDS. In het Kreyòl - Creools, de landstaal die op zwaar uitgekleed fonetisch Frans lijkt, tenminste als het wordt gesproken. Geschreven lijkt het nergens op, hoewel een woord als “SIDA” gemakkelijk is thuis te brengen, net zoals “Restavèks” op een ander bord. “Reste avec” in keurig Frans, bij iemand verblijven. Weer zoiets Afrikaans. Hoeveel “house girls” en “house boys” heb ik in Nigeria niet gezien? Jonge kinderen die van het platteland naar een familielid in de grote stad werden gestuurd om naar school te gaan, maar gewoon als huisslaafjes werden afgebeuld. Van naar school gaan kwam over het algemeen bitter weinig terecht. Het huis schoon houden, poetsen, koken, wassen en strijken. Hetzelfde overkomt de restavèks in Haïti. De oproep op het bord vlakbij het kantoor van de Franse ontwikkelingshulp verbaast me daarom in het geheel niet en toch ook weer wel. Naast de tekst in het Kreyòl staat een kort tekstje in het Frans: “Speciaal Scholingscentrum voor alle kinderen van 8 – 15 jaar die nog nooit op school hebben gezeten”. Een redelijk zinloze oproep omdat de overgrote meerderheid van de bevolking geen woord Frans spreekt en tweederde analfabeet is. Zouden de Franse cooperants zich eigenlijk wel eens afvragen waarom er zo weinig mensen op hun genereuze aanbod ingaan?

wordt vervolgd