Volgens René Préval, de president van Haïti, zal het puinruimen minstens drie jaar gaan duren. En dat terwijl vrijwel iedereen in het land werkloos is en de internationale gemeenschap miljarden euro's en dollars heeft toegezegd. Erg veel hoge politieke ambtsdragers brengen trouwens zoveel mogelijk tijd door aan de andere kant van de grens, in de Dominicaanse Republiek. Dat bevestigde de antropologe mij deze week opnieuw. Er is in Haiti veel meer te ruimen dan de puinhoop die toevallig door de aardbeving werd veroorzaakt. Maar wie wil dat weten of is daarin geïnteresseerd? Als er geen hulp nodig is, raken bovendien de professionele westerse hulpverleners en fondsenwervers hun baan immers kwijt. Bijgaand het vijfde en voorlopig laatste deel van mijn Haïtiaanse Herinneringen

HAITIAANSE HERINNERINGEN - 5 (04022010)

In Anses-á-Pitre staan drie soorten huizen vreedzaam door elkaar. Je kan er aan afzien met wie het economisch goed gaat en met wie wat minder. Althans dat denk ik. In de nieuwere huizen van steen en beton wonen zij met wie het erg goed gaat. In de huizen van planken, multiplex, triplex of van een beetje van alledrie, woont de plaatselijke middenklasse. Wat achteraf, in de onderkomens die zijn opgezet met behulp van stokken of houten palen, wonen de minder bedeelden. De “muren” van die constructies bestaan uit iets dat nog het meest op een douchegordijn lijkt, een dekzeil dient veel vaker dan niet als “dak”. Meestal slapen de bewoners echter onder sterrenhemel. Ruim drie jaar na mijn korte bezoek aan Haïti lijken deze laatste “woningen” verdacht veel op de tijdelijke onderkomens die in het Port-au-Prince van na de beving als paddestoelen uit de grond schoten. De houten huizen, hoe schamel soms ook, hebben wel iets dat ik onmiddelijk herken. Boven de voordeur of de ramen hebben ze gedecoreerde bovenlichten!. “Tragaluz” helpt de antropologe me met het op peil houden van mijn Spaanse vocabulaire. Ik herinner me die dingen eerder als een practisch onderdeel van een raam dan als een architectonisch ornament, hoewel het Europese bovenlicht oorspronkelijk boven de voordeur werd aangebracht om licht in de gang erachter te laten vallen. Dat was in de 17e eeuw volgens een geraadpleegde “bovenlichtdeskundige”.

Als je, zoals ik, in Santo Domingo woonde en daar bleef hangen, wat ik dus niet deed, zou je nooit de rijkdom aan bovenlichten aan de Dominicaanse kant van Hispaniola ontdekken. Die is echt niet in de grote gebetonneerde stad te vinden, maar vrijwel uitsluitend in de kleinere steden en op het platteland. In Higüey bijvoorbeeld, onderweg naar Punta Cana, veel en mooi in het oude centrum van Puerto Plata en, zo ontdekte ik een dag of tien na het korte bezoek aan Haïti, in de oude koloniale wijk van Panama-stad. Spaanse invloeden? De “tragaluces” – traer luz = licht brengen – langs de dorpsstraat van Anses-á-Pitre zijn uiterst eenvoudige met de hand gezaagde figuren in planken en triplex. Een vergelijking met die aan de andere kant van de grens, zowel qua ontwerp als qua uitvoering, gaat mank omdat het er aan die andere kant gewoon stukken gelikter uitziet. Helemaal in Puerto Plata, dat zijn kleine kunstwerkjes van houtbewerking. Wat voor mij echter het zwaarst weegt, is dat de opdrachtgevers aandacht hadden voor details die geld kosten en niets aan het woongenot toevoegden. Hun oog wilde ook wat! Gelukkig maar.

Op de terugweg naar Santo Domingo nemen we snel een kijkje op het strand van Cabo Rojo, waar grote schelpen voor het oprapen liggen. Niet te lang, want de vertraging op de heenreis door de lekke banden zit me nog steeds dwars. In Los Cocos, even voorbij de reclame voor vishandel “Dios es Amor – God is Liefde” eten we langs de weg lokale versnaperingen. De antropologe en haar collega’s snacken hier altijd, waardoor we als oude bekenden worden ontvangen. Paraiso, vanaf deze kant veel mooier, Barahona. Even kijken bij de afgedankte suikerrietplantagelokomotief, die staat weg te roesten en, als er niet snel wordt ingegrepen, het niet te lang meer zal maken. We vervangen een leeglopende band en gaan op hoop van zegen verder, want het allerslechtste deel van de weg begint nu. Het wonderbaarlijk mooie natuurschoon is vandaag aan mij niet besteed, ik tel de kilometers naar Azua en El Cruce de Ocoa, want daar zijn bandenplakkers. Het valt reuze mee tot de volgende morgen. Dan staat mijn auto wat lullig onderuit gezakt met twee platte banden op de parkeerplaats. Dat is op dezelfde dag dat in Port-au-Prince wordt gedemonstreerd tegen de vermeende rascistische vooroordelen die de Dominicaanse Minister van Buitenlands Zaken tegen Haïtianen zou koesteren. Als represaille worden in Santo Domingo illegale Haitianen opgepakt. Veruit de gemakkelijkste manier om wraak te nemen op hen die juist niet hebben geprotesteerd. Op hen die voor weinig geld het vuile werk opknappen waar de gemiddelde Dominicaan zich te goed voor voelt en zich nu gedeisd houden omdat er in eigen land nauwelijks werk is. Er wonen naar schatting één miljoen Haitiaanse “sans papiers” in de Dominicaanse Republiek. Een miljoen makkelijke doelwitten. De antropologe waarschuwt de arbeiders in de bouwput naast haar huis om vooral onzichtbaar te zijn.

’t Klinkt vast ongelooflijk, maar de wieg van Haïti stond op 20 september 1697 in Rijswijk. Op wat toen het paleis Huis ter Nieuburch was en waar nu ter herinnering slechts een gedenknaald in het Rijswijkse Bos staat. Het was de dag waarop Spanje, als onderdeeel van de Vrede van Rijswijk, het westelijke derde deel van Hispaniola aan Frankrijk afstond. De grens die destijds werd getrokken, is tegenwoordig van uit de lucht goed te zien: waar de bomen ophouden begint het vrijwel geheel ontboste Haïti. Bij de onafhankelijkheid in 1804, was Haïti het rijkste land van het westelijk halfrond, nu al vele jaren het allerarmste. De bevolkingsdruk is enorm, werk is er niet, analfabetisme en armoede zijn “normaal”, corrupter zijn maar weinig andere landen, die net als Haiti in de categorie “failed states” vallen. Een jaar voor de aardbeving las ik een somber artikel met de kop “Straatarm Haïti geteisterd door rampen en corruptie. De doden zijn beter af”. Dat was na het rampjaar 2008, toen de ene orkaan na de andere over het land raasde. Als je het zo bekijkt, was de aardbeving voor die paar honderdduizend doden dus zoiets als een geschenk uit de hemel.

slot