NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 26 (15072009)

Zaterdag, 20 juni 2009. Morgen begint de winter op het zuidelijk halfrond, toch zag het er gisteren opeens zo mooi uit en de weersverwachting voor vandaag was zo goed dat ik net voor het einde van de werkweek besloot dat het moment was aangebroken om naar Wupperthal te gaan. Daarvoor hoef je niet naar Duitsland, dat kan ook in Zuid-Afrika. Net zoals je hier Middelburg kunt bezoeken, of Gouda of Ermelo of Heidelberg. Wupperthal staat al op mijn “te bezoeken” lijstje sinds ik vorig jaar begon met de door zendingsgenootschappen rond Kaapstad gestichte dorpen te bezoeken. Het diep in de Cederbergen weggestopte dorp, de stichters zonder veel fantasie waren afkomstig uit het dal van de rivier de Wupper, leek echter vrijwel onbereikbaar voor mijn eenvoudige huurauto. Via Ceres kan het uitsluitend worden bereikt met een 4X4, dat staat duidelijk op alle wegenkaarten aangegeven. De kwaliteit van de alternatieve route, de niet geasfalteerde weg via Clanwilliam, was mij ontmoedigend vaak als “twijfelachtig” beschreven. Zoals in mijn krant in maart: ”Ons reis na die Morawiese sendingstasie is nogal hobbelrig. Losse klippies (steentjes) kap-kap aan die kar (auto) se bakwerk. Waag jy dit om die venster oop te maak, is alles die ene stof. Genadiglik is die pad (weg) by die steilste draaie geteer. Eindelik, agter die soveelste rantjie en klipperige draai, lê Wuppertal rustig voor ons”. Een dorpsbewoner die zich met “de donkiekar” een door een ezel getrokken wagen verplaatst verklaarde: “Vervoer is ‘n groot probleem hier. Die paaie moet reggemaak word”. Gelukkig raakte ik vorige week in gesprek met een collega wiens vader, arts in Clanwilliam, de weg tot voor kort minstens één keer per week in een “gewone” auto reed om op huisbezoek te gaan bij zijn patiënten in Wuppertal. Zij verzekerde mij dat als ik rustig aan zou doen, er niets aan de hand zou zijn. Dat was het precies het duwtje in de rug dat ik nodig had.

Terwijl ik even buiten Kaapstad door dichte mist rijd, heeft de weerman op de radio het heel luchtigjes over “mistflarden”. Wel flarden die er voor zorgen dat het wegdek de volgende 120 kilometer in een grauwsluier van heb ik jou daar hangt die het passeren op de tweebaansweg naar het noorden levensgevaarlijk maakt. Pas na anderhalfuur, op de 519 meter hoge Piekenierskloofpas, steekt de weg kort boven de wolken uit. Aan de andere kant van de pas, in het Citrusdal, wordt de mist langzaam maar zeker dunner, maar het duurt nog bijna 100 kilometer voordat de zon echt doorbreekt. Dan ben ik de Clanwilliamdam al gepasseerd – goed nieuws: het stuwmeer zit voor 97% vol – ben het stadje zelf doorgereden en de Pakhuispas overgestoken. De weg van Clanwilliam naar Calvinia is zwaar klote. Eerst slecht wegdek en dan helemaal geen wegdek meer, behalve dan op de steile afdaling van de Pakhuisberg. Er wordt wel hard aan de weg gewerkt, hetgeen niet wil zeggen dat er hard wordt gewerkt. Voor mijn gevoel is dit vooral werkverschaffingsproject waarvan de oplevering wel gewenst is, maar het “wanneer dan wel” er niet zo erg toe doet. Er zijn te veel stukken waar slechts een weghelft beschikbaar is. Een paar honderd meter daarvoor staan de vlaggenzwaaiers die manen om snelheid te minderen op een weg die zo slecht is, dat er maar net iets harder dan stapvoets kan worden gereden. Waar de wegversmalling begint, staat een kleine cabine met een stopbord én een waarschuwingsbord. ”STOP - RY/GO - wagperiode 10 minutes - wees asseblief geduldig”. Bij die cabine hangen meestal twee mensen rond. Eén met een portofoon en een andere om van het STOPbord een GObord te maken als de weg vrij is, hoewel er nauwelijks verkeer is.

De bijna elfhonderd meter hoge Pakhuisberg is tevens het noordelijkste punt van het Cederberg natuurreservaat, waar vrijwel geen cederbomen meer groeien. Ik passeer “Traveller’s Rest” waar ik vannacht ga logeren en stop vlak voor de afslag naar Wupperthal even bij de “Engelsman se Graf”. Een eenzaam graf onder een boom, midden in een verlaten landschap. Het is het graf van de Engelse luitenant Graham Vinicombe Winchester Clowes van het 1ste Bataljon van de Gordon Highlanders, die tijdens een schermutseling met een Boerencommando op 30 januari 1901 op ongeveer deze plek sneuvelde. Dat was tijdens de Tweede Boerenoorlog, of de Anglo-Boer war zoals de Britten deze oorlog noemen. Voor de Afrikaners was en is het de Tweede Vrijheidsoorlog. De luitenant werd hier niet door zijn strijdmakkers begraven, maar door zijn moeder. Die kwam na de oorlog over uit Engeland, met de boot nam in die tijd ongeveeer vijf weken, en reisde daarna vanuit Kaapstad naar deze afgelegen plek. Dat moet destijds ongeveer drie dagen hebben geduurd in vergelijking met tussen de vier en vijf uur die ik vandaag nodig had om dezelfde afstand af te leggen. Een Victoriaans hek van gietijzer, een boom, een graf met een steen zoals je die ook ziet op oorlogsbegraafplaatsen in België en Frankrijk waar de Britse gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog liggen begraven. Ze zou daarna ieder jaar zijn teruggekomen om het graf te bezoeken. Een ander graf dat ik graag had willen bezoeken is dat van de Zuid-Afrikaanse dichter, schrijver, journalist Louis Leipoldt dat aan de weg ligt die de Pakhuispas opklimt. Door de wegwerkzaamheden is het helaas tijdelijk onbereikbaar. Na het graf van de Engelse luitenant sla ik gelijk rechtsaf de zandweg op, richting Biedouwvallei en Wupperthal.

wordt vervolgd