NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 27 (19072009)

Zaterdag, 20 juni 2009. Aan doelloos reizen heb ik een hekel, daar begin ik niet aan. Maar als ik Wupperthal vandaag niet als reisdoel gehad zou hebben, zou ik waarschijnlijk de neiging moeten hebben onderdrukken om rechtsomkeert te maken. Een onoverzichtelijke en stoffige zandweg, wat hier zo toepasselijk een “stofpad” of “agterpad” – een achterafweg – wordt genoemd. Onregelmatig getik van de steentjes tegen het chassis van de auto wordt afgewisseld door de hardere tikken van grotere stenen, die ik juist moet proberen te ontwijken. Net zoals onverwachte kuilen. Beide zorgen voor het verlies van wieldoppen of voor lekke banden, vooral als er maar ietsje te hard wordt gereden. Genieten van de omgeving is slechts af en toe nodig, omdat het landschap in de Westkaap soms behoorlijk eentonig saai kan zijn. Dat wil zeggen bergje op, bergje af, volgende vergezicht, volgende vallei in de diepte, lage fynbos begroeing aan alle kanten, hier en daar een plukje bloeiende heide, zo nu en dan een tegenligger, haast nooit eens iemand die wil passeren. Het zou slaapverwekkend kunnen zijn, ware het niet dat een enkel moment van niet op je qui vive zijn fatale gevolgen kan hebben. Doorbijten dus. Hoek se Berg over, een pas, in de diepte ligt de Biedouw Vallei met een theefabriek midden in de rooibosvelden. Vallei door, berg weer op. Nog een pas, de Koubergpas, en dan ben ik er. De bewoonde wereld begint zowaar weer bij de afslag naar de Heuningvallei, waar een door een paard en een ezel getrokken wagen een bergpad afkomt zetten, op een muur een sterk verweerde en daardoor vrijwel onleesbare kaart van de streek, kort daarna een begraafplaats én de bebouwde kom van Wupperthal.

Het dorp aan de oever van de Tra -Trarivier is goed bezien het regelrechte resultaat van de samenwerking tussen het London Missionary Society en de Rheinische Mission. Een religieuze joint venture van het eerste uur om het christelijke geloof onder ”de arme heidenen” in de Kaapkolonie te gaan verspreiden. Baron Theobold von Wurmb en Johann Gottlieb Leipoldt behoorden tot het eerste groepje van vier Duitse zendelingen dat in 1829 in Kaapstad arriveerde. Hoe die twee in hemelsnaam in de Tra-Travallei terecht zijn gekomen, vermeldt de historie helaas niet. Gezien de geïsoleerde ligging moet het haast wel dank zij een rotsvast geloof en veel bloed, zweet en tranen zijn geweest. Of zouden die Engelsen de Duitsers gewoon naar een vrijwel onbewoonde en onbegaanbare streek hebben gestuurd omdat ze dat zelf iets te veel van het goede vonden? Geloofsijver heeft ook grenzen. Zoals te doen gebruikelijk werd een bestaande boerderij gekocht op het land waarvan op 1 januari 1830 Wupperthal werd gesticht. Dat was in de tijd dat er door de blanke boeren die er woonden op de oorspronkelijke bewoners werd gejaagd alsof het wilde dieren waren. In de buurt van de zendingspost woonde echter een zevental “gedomesticeerde” San families, de doelgroep van de zendelingen. Dezen stoorden zich behoorlijk aan de “luiheid” van hun potentiële bekeerlingen, zo rapporteerde Leipoldt aan zijn werkgever: ”De armoede onder deze arme heidenen is groot, werken om wat geld te verdienen is hen volkomen vreemd”. En “De Hottentotten en kleurlingen weten niet van aanpakken, je moet ze altijd alles voordoen”.

Bij de ingang van het dorp een bord met de huisregels: in het openbaar te drinken en openbare dronkenschap zijn verboden, geen vuil op de weg gooien, ’s avonds geen luide muziek, je gedragen volgens de regels van deze zendingspost. Tussen de regels door denk ik te kunnen lezen wat hier de meest voorkomende problemen zijn. Aan de achterkant staan de “besienswaardighede” van Wupperthal: het Leipoldt Huis, die Kerk 1835, die Pastorie 1840, Ou Begrafplaats, Skoenfabriek, Palm Gastehuis, Kloof Gastehuis en de Krokodam met “asemrowende natuurlike swempoele”. De rietgedekte huisjes in het dorp staan er piekfijn bij, het straalt “hier heerst orde en tucht” uit, er is niemand op straat te bekennen. Het is alsof de nieuwe christenen gelijktijdig met het woord van God, een flinke portie van het Duitse “Ordnung Muss Sein” kregen toegediend. Achter de kerk staat een uit de kluiten gewassen klokkenstoel in plaats van het overal elders te vinden vrijstaande bescheiden klokkentorentje. Aan de zijkant van de kerk is het oude kerkhof, waar de graven van veel zendelingen, hun echtgenotes en kinderen door een extra hek worden afgeschermd. De “gewone” doden liggen er omheen begraven. Tot in de dood bestaat de ongelijkheid tussen de leraar en zijn leerlingen, terwijl die leraar tot zijn laatste snik die leerlingen juist onderwees dat iedere sterveling gelijk is in de ogen van de Heer. Prominent is vooral het graf van Johann Gottlieb Leipoldt, die zijn stempel lang op de door hem gestichte gemeenschap heeft kunnen drukken. Hij stierf in 1872, ruim 40 jaar na zijn aankomst. Voor hij tot zendeling werd omgeschoold, was Leipoldt schoenmaker, hetgeen de schoenenfabriek in het dorp verklaart. De “velskoene” van kuduleer die hier met de hand worden gemaakt, stevige stappers voor het ruige terrein van de streek, zijn niet meer zo populair als voorheen. Het gaat niet zo best met de fabriek, zo vertrouwt de verkoper van dienst me toe. En ook “nee de meeste mensen van hier kopen hun schoenen in de stad”. Indien deze fabriek een “echt” bedrijf zou zijn, was het vast en zeker al jaren geleden failliet gegaan, de modellen die er worden gemaakt zijn echt niet meer van deze tijd en op minst sinds mensenheugenis uit de mode.

wordt vervolgd