|
NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 30 (31072009) Zaterdag, 20 juni 2009. Het is even zoeken, maar dan ontdek ik hem: de jager met de pijl en boog. Proviandzak op de rug, pijl in de aanslag op een gespannen boog, een prooi in het vizier. Die boog is zó mooi rond dat je tegen beter weten in haast zou denken dat die met een passer werd getekend. Dat je zo moet zoeken, komt omdat de rotstekeningen klein zijn. Geen grootformaten, niet meer dan een paar centimeter groot zijn ze. In de buurt van de boogschutter zowaar een paar tekeningen van een transdansende geestelijke leidsman, de enige die ik langs deze trail zal zien. Site 6, die vrijwel naast de “boogschuttersgrot” ligt, heeft een groep dansende vrouwen als belangrijkste afbeelding. Flink uit de kluiten gewassen onderlichamen hebben ze en smalle lange bovenlichamen, nauwelijks borsten. Twee jagers met hun buit over de schouders, een door mossen zwart verkleurde hardlopende man. Een paar honderd meter verder ziet Site 7 er heel anders uit. Het is een grot die groot genoeg was om in te kunnen wonen en heeft afbeeldingen van grote gele olifanten. Aan de andere kant van de Cederbergen ligt de Olifantsrivier, door onze kolonialiserende voorouders zo genoemd om de eenvoudige reden dat ze er olifanten aantroffen. Tegenwoordig “wonen” die beesten zo’n beetje allemaal aan de oostkant van het land, in het Kruger Wildpark. De olifanten zijn heel groot getekend in verhouding tot de afbeeldingen van mensen en dieren die ik tot nu toe heb gezien. In de grot barst het van de dansende mannen en vrouwen, alsof er een feestje aan de gang is, en nog een boogschutter die samen met een vrouw op een giraffe jaagt. Zoals de vrouwen met dikke billen worden afgebeeld, hebben de mannen vaak een erecte penis. Ook hier weer, zelfs tijdens de jacht op een giraffe! De wanden van Site 8, een grote grot met mooi uitzicht, staan vol met handafdrukken waarvan wordt vermoed dat die door de Khoi zijn gemaakt en niet door de San. Site 9 is de moeilijkste doordat een deel van het overhangende “dak” is ingestort. Er moeten rotsblokken worden beklommen, maar dan is er nog niet zo veel te zien. Twee dansende vrouwen en drie op de vlucht geslagen quagga’s. Na vier kilometer komt er een einde aan de wandeling aan deze kant van de rivier die, zo waarschuwt het gidsje, in de winter niet moet worden overgestoken omdat de zandbanken uit drijfzand bestaan waar je zonder waarschuwing tot aan je middel in wegzakt. Een echte afrader. Dan sla ik de laatste tekening op de andere oever maar over, mijn hoofd zit toch al veel te vol met beelden van de meest fascinerende rotstekeningen, daar kan even niets meer bij. Woensdag, 24 juni 2009. Het mag een klein wonder heten dat ik vanmorgen in een hotelbed in Johannesburg wakker word. Eerst zorgden harde windstoten en regen ervoor dat ons vliegtuig gistermiddag niet in Kaapstad kon landen, vervolgens waren alle vluchten vol tot na de avondspits. Zodoende arriveerden we met een vertraging van bijna zes uur in Joburg. Het wachten en de vlucht vol met luchtzakken waren overigens wel gezellig. Zoals overal ter wereld is gedeelde smart halve smart en raak je in gesprek met mensen met wie je onder normale omstandigheden geen woord zou wisselen. Als ik in de lach schiet door de verhalen in het Afrikaans van drie dames om me heen, word ik gelijk bij het gesprek betrokken. De collega die ons zou opwachten, hadden we telefonisch naar huis gestuurd met een “we huren wel een auto”. Mooi niet, niet een van de autoverhuurders had een auto beschikbaar”! ‘s Nachts om elf uur een taxi nemen vanaf het vliegveld, dat een flink stuk buiten de stad ligt, naar Sandton, een wat duurdere wijk van Johannesburg, zou volgens mijn collega de nodige – niet nader gespecificeerde - risico’s met zich meebrengen. Bij gebrek aan beter, klampte ik in de aankomsthal een keurig geklede taxichauffeur aan, die mij een keurige maximum prijs naar het hotel gaf – mijn taxi heeft een meter, meneer – de taxi bleek een keurige zwarte Benz die ons via de kortste weg naar ons keurige hotel bracht. Weer een vooroordeel naar het rijk der fabelen verwezen. In Zuid-Afrika wordt dezer dagen om de Confederatiebeker gevoetbald, de generale repetitie voor het WK van volgend jaar. Er is een polemiek aan de gang over de geringe publieke belangstelling, wereldwijd gezeik over het lawaai dat de vuvuzela maakt, over de onveiligheid in Zuid-Afrika, over de stadions die niet op tijd zullen worden opgeleverd, over het krakkemikkige openbaar vervoer. Danny Jordaan, de voorzitter van het WK2010 organisatiecomité zet terecht de tegenaanval in. “De meest kritische mensen zijn hier nog nooit geweest”, zegt hij in een vraaggesprek. Ik geef hem groot gelijk, het is echt zo’n “wat de boer niet kent, dat vreet hij niet” discussie. En nu is het Egyptische voetbalelftal ook nog eens beroofd. Door dames van lichte zeden nog wel. Daar wordt besmuikt om gelachen, een beetje ervaren hoerenloper weet toch dat je je niet dubbel moet laten uitkleden door die dames? Dat zal ons niet overkomen, de secretaresse heeft ons ongevraagd overgeboekt naar een keurig nieuw hotel waar die dames niet verder komen dan de nachtwacht bij het toegangshek. Op de parkeerplaats van het restaurant, waar zakelijk moet worden gegeten, staat een reclamebord waarop een nu eens geluidloos wapen van de lokale voetbalsupporters is afgebeeld: de “Makarapa”. Deze veelal sierlijk en inventief gedecoreerde veiligheidshelm, zoals die – zonder decoratie - door bouwvakkers of mijnwerkers wordt gedragen, is een uitvinding van Alfred Baloyi. Nadat hij in 1979 tijdens een wedstrijd een bierfles tegen zijn hoofd had gekregen, gaf een vriend hem een helm. Eerst verfde hij die in de clubkleuren, jaren later begon hij met het versieren ervan. Het idee sloeg dusdanig aan, dat Alfred een bedrijfje kon beginnen dat niets anders doet dan de makarapa’s maken die de tribunes zo’n vrolijk aanzicht geven. De rotskunst van de 21ste eeuw? wordt vervolgd |