|
NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 33 (21082009) Zaterdag, 25 juli 2009. “Barbie komt eraan, meneer”, meldt een passerende fietser. Hij is er door haar op uitgestuurd om te zien of de gast al is gearriveerd. Ja dus. Wat mij betreft is wachten in een nieuwe omgeving zelden verloren tijd. Rondkijken en observeren. Redelinghuys is een piepklein dorpje. Een paar straten slechts. Met heel oude en sommige nieuwe huizen en, uiteraard, een enorme Nederduits Gereformeerde kerk van waaruit alles en iedereen in de gaten kan worden gehouden. Toen ik vorig jaar eens door Redelinghuys reed, ontdekte ik dat er even buiten de bebouwde kom, langs de zandweg naar Aurora, een “lokasie” ligt die vele malen groter is dan het dorp zelf. Dat is de wijk voor de wat minder blanke en minder draagkrachtige dorpsgenoten. En nog wat verderop rijd je door mooie blauwe lavendelakkers. Door die paar straten paraderen opgeschoten meisjes met een air van klaar te zijn voor van alles en nog veel meer wat van een zaterdagavond verwacht kan worden. Flink opgetut, elkaar opmetend en becommentariërend. Iedereen spreekt Afrikaans, ik hoor geen enkel Engels woord vallen. En dan komt Barbie er aan lopen met haar dochtertje aan de hand. Haar lichaamsbouw haalt het niet bij de enige echte Barbie – ben vergeten te vragen hoe ze aan haar naam komt – maar ze is beslist erg charmant en heeft erg mooie ogen. Het huis wordt geopend voor de enige gast die dit weekeinde wordt verwacht. Barbie vindt dat ik een week te vroeg ben, volgend weekeinde is het jaarlijkse “Sandveld Aartappelfees”. Volgens haar een “baie grote fees” waar veel mensen op afkomen. Vannacht mag ik in het hemelbed van de Suikerbossiekamer slapen. “Suikerbossie ‘k wil je hê, wat sal jou mama daar van sê?” zingt het gelijk door mijn hoofd. Alle kamers van het pension hebben de naam van een Zuid-Afrikaanse vogel, waarvan ik “Piet my vroutjie” het allermooiste vind. Er is wel een vogel die suikerbekkie heet, de suikerbossievogel moet echter nog worden ontdekt. Suikerbossie is een tot de proteafamilie behorende bloem waar de honingzuiger, een soort kleine kolibri, wapperend met de vleugeltjes de honing uitzuigt en voor bevruchting schijnt te zorgen. Barbie gaat aan de slag in de keuken, ik ga met een glas wijn en een boek in de zonnige tuin zitten. Blaffende honden wedijveren met het gakken van overvliegende ganzen en het fluiten van andere vogels waarvan ik - analfabete ortoloog die ik ben - de geluiden niet ken, laat staan de namen. Behalve dan van de ganzen, maar dat komt omdat ik lang geleden jarenlang aan de rand van een polder heb gewoond waar brandganzen en kolganzen overwinterden. De tuin grenst aan een brede dikke rietkraag, daarachter liggen de kopjes van de lage heuvels die de vallei uit de wind houden. Als het frisser wordt, ga ik naar binnen. De open haard brandt. De salon is een klein, maar verrassend rariteitenkabinet dat is volgestouwd met familiefoto’s van de eigenaresse, een onooglijke bar en Afrikaner heimweecuriosa van de bovenste plank. Boeken die het blanke Zuid-Afrika van weleer verheerlijken, foto’s van Oom Paul Kruger en Oom Paul met zijn vrouw Gezina, herinneringen aan de Boerenoorlog. Met op de achtergrond “de grootste Afrikaanse treffers – greatest hits” lees ik “De leugenachtige dagen”. Dit autobiografische boek van Nobelprijswinnares Nadine Gordimer, speelt deels in de late jaren veertig van de vorige eeuw toen D.F. Malan en zijn Herenigde Nasionale Party de teugels van de apartheid stevig begonnen aan te trekken. Ik beleef in mijn eentje zowaar een – zij het ietwat foute - nostalgische avond. Zondag, 26 juli 2009. Voor het ontbijt – Barbie is zwaar teleurgesteld dat ik geen stevig, sterk op een Engels onbijt lijkend, Afrikaans ontbijt wil nuttigen – maak ik een ochtendwandeling door Redelinghuys. Voor de kerk staan de bakkies van de godsvruchtige boeren uit de omgeving geparkeerd. De psalmen galmen door de open deuren naar buiten. De dominee preekt hel en verdoemenis, geloof ik. Opnieuw een nostalgisch moment. Toen ik stukken jonger was dan vandaag, zat ik om deze tijd op zondagmorgen ook in de kerk en zong ik dezelfde psalmen die hier worden gezongen. Dat was toen, dat is een al heel lang geleden afgesloten hoofdstuk. Voor de vorm eet ik dan maar twee geroosterde boterhammen, want ik moet nog uitvinden waar “de Vegkop” is, een monument uit de Boerenoorlog dat hier in de buurt zou moeten zijn. “Nooit van gehoord”, zegt Barbie. Twee familieleden, die telefonisch worden geraadpleegd, hebben ook geen flauw idee. Jammer, maar wel begrijpelijk. Dit is immers niet hun geschiedenis en niet hun monument. Richting Piketberg dan maar. Er moet rechts van de weg een meanderend riviertje stromen waarvan de loop dankzij de rietkragen is te volgen. Hoewel die verder landinwaarts steeds smaller worden en het riviertje dus ook. De Verloren Vlei is een drassig gebied waar, onder de afspraken van de Ramsar Conventie, gelijktijdig wordt gestreefd naar bescherming van het bestaande ecosysteem en duurzaam gebruik van het aanwezige water. Er wordt, volgens een bord langs de weg, zelfs gewerkt aan het herstel van het natuurgebied: ‘Wetland Restauration in Progress – securing waterresources – conserving biodiversity – creating employment”. Een schoolvoorbeeld van “goed geld naar kwaad geld gooien”, vind ik. Want hoe kan dat nu, geld uitgeven voor het herstel van de natuur en gelijktijdig spreken over een mijnbouwvergunning bij de bron van het grootste van de drie riviertjes die hetzelfde gebied van zoet water voorziet? wordt vervolgd |