TERUG IN DE TIJD (30092010)

‘s Ochtends veel te vroeg word ik met een wat wrakke oude fiets afgezet in de buurt waar lang geleden mijn grootouders woonden. Nijmegen, Javastraat 4. De plaats van de slagerij op de hoek is ingenomen door een pizzeria, in de winkel van technisch bureau Kwakkernaat op de andere hoek huist nu “la Rosa de Cuba”, een kapsalon voor mannen en vrouwen. Alle vierkante meters van de voortuin van mijn grootouderlijk huis – destijds met dahlia’s en hortensias - is door latere huurders betegeld. Aan de fietsen te zien wonen er studenten in de ruimtes waar ik als jongetje ronddwaalde. De engste herinnering is de lange donkere gang naar de keuken en de er achter gelegen logeerkamer, de zoetste herinnering is de serre waar mijn grootvader na zijn pensioenering een atelier inrichtte. Mijn Opa, een verdienstelijke liefhebber die zijn kleinkinderen soms door hem geschilderde paneeltjes als verjaarscadeau gaf en in opdracht van de slagers in de buurt een “Stier van Potter” schilderde voor in hun winkel. Tot op de dag van vandaag zie ik die serre voor me als ik olieverf ruik. Zijn schilderkist, met daarin ruim veertig jaar later nog steeds de door hem half uitgeknepen tubes Talens verf, staat bij mij thuis. Af en toe doe ik die open en snuif de geur op. Om mijn herinnering levend te houden. De bewoners zijn veranderd, de statige buurt nauwelijks. Bijna met de ogen dicht fiets ik naar de Coehoornstraat 39, naar mijn voormalig ouderlijk huis. De sluipweg via de katholieke kerk aan de Groesbeekseweg zit net zo op slot als de kerk zelf, hetzelfde geldt voor de andere katholieke instellingen langs deze weg. Van het huis aan de Coehoornstraat liep ik twee maal daags naar de kleuterschool aan de Daalseweg, een wandeling van niet meer dan 10 minuten. De meubelfabriek van Reijers, die aan de achtertuin grensde, bestaat niet meer. Daarmee is ook de geur van vernis verdwenen die er altijd hing. De naastgelegen marechausseekazerne is verbouwd tot politiebureau. Waar de dienstwoningen stonden, tot om de hoek aan de Fort Kijk in de Potstraat, is een lelijke flat neergezet. Het is een straatnaam om nooit van je leven te vergeten. Voor de deuren van drankengroothandel Peeman aan de Waldeck Pyrmontsingel staan geen door prachtige paarden getrokken bierwagens meer. Angstaanjagend groot waren die beesten, maar hun hopen stomende ronde drollen waren verschrikkelijk fascinerend. De kleuterschool naast de kerk is eveneens verdwenen, de vrijgekomen plek is ingenomen door een lelijk flatgebouw.

“Rustoord”, de begraafplaats waar mijn grootouders zijn begraven, vind ik net zo gemakkelijk als 15 jaar geleden. Of zijn er al 20 verstreken sinds ik er voor het laatst was? Kort geleden heb ik de zorg voor hun graf op mij genomen, een taak die serieus genomen moet worden. Ze verdienen het. Het graf ligt er verwaarloosd bij. De steen is dof, hun namen beginnen te vervagen. Het is begroeid met brandnetels en ander onkruid, het wordt zichtbaar zelden bezocht. Lege plekken en bordjes met “beschikbaar” geven aan dat de graven hier worden geruimd. De mensen die er 30, 40 jaar geleden werden begraven, liggen er zeker al te lang. Maar wie bepaalt dat? De commerciële jongens de begraafplaats hebben gekocht van goedbedoelende diaconie van de Nederlands Hervormde kerk kan het niet veel schelen. “U kunt het graf houden zo lang als u wilt, meneer”. Uiteraard tegen een in hun ogen alleszins redelijke vergoeding. De man van de grafstenen, die zijn winkel aan de overkant van de Postweg had, is inmiddels gaan hemelen. “Hij is dus tussen zijn vroegere klanten gaan wonen?”, vraag ik luchthartig. Het antwoord bestaat uit nietszeggende blikken. Als ik daarna navraag doe naar “Levensavond”, het bejaardentehuis vlakbij waar mijn grootouders hun laatste levensjaren woonden, gebeurt dat nog eens. Een kwartier later begrijp ik pas waarom. Het oude complex is gesloopt en vervangen door een onooglijk bejaardendorp dat “de Vijverberg” heet. Maar sinds wanneer? “Meneer, ik werk hier al 31 jaar en ik weer niet beter”, bekent de niet al te jong ogende receptioniste opgewekt.

Met de fiets de Daalseweg af gaat stukken gemakkelijker dan de klim naar boven. Nijmegenaren drinken hun koffie ’s ochtends kennelijk thuis of op het werk, vrijwel alle cafeetjes langs mijn route zitten om 11 uur nog stevig op slot. Nijmegen, een groot dorp met stadse allures. Maar een dorp blijft het. Pas tegenover het Valkhof is “het Koffiehuis” bereid om voor lunchtijd koffieklanten te ontvangen. Nuttige informatie krijg ik er op de koop toe. In het Wilhelminaziekenhuis, waar ik ben geboren, is herdoopt tot verpleegtehuis Margriet “een tehuis voor dementerende bejaarden, meneer”. “Als ik me snel laat inschrijven, kan ik mijn laatste levensdagen wellicht in de zaal gaan slijten waarin ik ben geboren”, reageer ik nonchalant. Dat zit er niet in, de tent gaat volgend jaar op slot. Wat wel min of meer bij het oude is gebleven, zijn de Maycrete noodwoningen aan de Hatertseweg – laagbouw, twee onder een kap, voor- en een achtertuin - hoewel die juist uiterlijk in 1963 gesloopt hadden moeten worden. De geprefabriceerde huisjes van vlak na de oorlog, werden wel “schuttingwoningen” genoemd omdat ze à la een schutting in elkaar werden gezet: betonnen platen die in betonnen stijlen werden geschoven, kap er op en klaar was het huisje. De zestig kleine witte huisjes met grote tuin zijn ondertussen op de Nijmeegse monumentenlijst geplaatst en worden door makelaar Hestia aangeboden als “uitermate geschikt voor senioren”. Vraagprijs vanaf € 225.000. Zo wordt van de naoorlogse nood, alsnog een deugd gemaakt.