TERUG IN DE TIJD - 2 (03102010)

Het Nijmeegse Valkhof ligt er al sinds mijn geboorte onveranderd bij. Dat is niet zo verwonderlijk want van het burchtcomplex dat hier tot aan de Franse tijd stond, ontsnapten slechts de Barbarossa-ruïne en de Sint-Nicolaaskapel aan de sloop. Voor de vrij gekomen ruimte ontwierp de tuinarchtect Johann David Zocher, wiens nazaten onder andere het Vondelpark in Amsterdam en het Park in Rotterdam ontwierpen - een lommerrijk park. Het naastgelegen Hunnerpark is sinds mijn laatste bezoek verrijkt met elders in de stad “overbodig” geworden beelden van luchtig geklede klassieke dames die de vier jaargetijden verbeelden. De onverwoestbare Belvédère, ooit begonnen als verdedigingstoren op de stadsmuren, staat erbij alsof het niet in de tweede helft van de 15e eeuw werd gebouwd, doch ergens in de vorige eeuw. Het uitzicht vanaf het balkon voor de toren is vrijwel hetzelfde als toen de Batavieren bij Lobith ons land op boomstammen binnenkwamen, de Romeinen – die hier de noordelijke grens van het Romeinse Rijk trokken – aan de andere kant van de weg woonden en ik er in mijn jongste jaren wandelde aan de hand van mijn ouders en grootouders. Menselijke ingrijpen in het landschap daargelaten natuurlijk, zoals de Waalbrug, de Ooijpolder en het drukke scheepvaartverkeer op de Waal. ’t Kan niet waar zijn, ’t is net of ik droom met de ogen open. Vanaf beneden in het gras kijkt het uit bloemen en planten – leeuwen van geelbruine Afrikaantjes - samengestelde stadswapen van Nijmegen tegen mij op. Het ziet er precies hetzelfde als in mijn herinnering! Ongevraagd wordt de klok zomaar vijftig jaar teruggezet.

De Ooijpolder ligt ingeklemd tussen de Waal, de grens met Duitsland en de hoge stuwwal die zo’n 150 duizend jaar geleden tijdens de voorlaatste ijstijd door het opgestuwde ijs werd gevormd. Beter laat dan nooit, ga ik via de achterdeur voor het eerst deze mooie Nederlandse polder binnen. Berg en Dal, Wyler – even Duitsland in en vrijwel gelijk weer uit – Leuth en Erlecom, de Waaldijk. In de uiterwaarden in onbruik geraakte steenfabrieken, achter de dijk wielen, kleine meertjes die zijn ontstaan door dijkdoorbraken en het afgraven van klei voor de steenfabrieken. Dat die industrie op sterven na dood moet zijn, valt af te leiden uit de industriële monumentjes op onverwachte plaatsen. In een weiland staat plompverloren een werkloze excavateur, een kleibaggermachine, die met subsidies van veel te veel instellingen om op te noemen werd gerestaureerd en herplaatst. Hetzelfde geldt voor een oud bruggat, een doorsteek in de oude dijk waardoor het smalspoor liep dat de klei van de put naar de fabriek vervoerde. Als je ook maar enigszins bereid bent om het landschap een beetje te lezen, dan kan je de historie van de polder zien. Terwijl ik door de modderige weide loop om alles eens goed van dichtbij te bekijken, remmen de groepen fietsende voorbijgangers – overduidelijk dagjesmensen - niet eens af om gebruik te maken van zo’n uniek leermoment. Nee, hoe eerder ze op de Waaldijk bij Oortjeshekken de nauwelijks drinkbare cappuccino uit de automaat en de droge appeltaart zonder rozijntjes bij de zelfbedieningsbalie kunnen afhalen, hoe beter. De stumpers! Oude boerderijen gebouwd op een terp of een donk, een rivierduin. De voormalige Nederlands Hervormde Kerk van het dorpje Ooij heeft een woonbestemming gekregen. Gedegradeerd van godshuis naar mensenhuis, het ziet er heel luxe en heel comfortabel uit. Lang niet zo sober als de Calvinistische God voorhad met zijn gelovigen. In het appartement in de toren woont een mevrouw die aan “lichaamsgerichte phsychotherapie” doet. Dit soort novo-Nederlands ontgaat mij geheel en nog veel meer nadat ik de volgende definitie vond: Lichaamsgerichte therapie is een vorm van psychotherapie waarbij zowel het verhaal van de cliënt als ook het verhaal van zijn of haar lichaam gehoord wordt. Veel van onze spanningen en valkuilen zijn in ons lijf opgeslagen als blokkades: hieraan werken is de weg terug naar ontspanning en spontaniteit.” Zo kan ik ook een kerktorenappartement bij elkaar scharrelen.

Veel dichter bij het echte leven staat een vrijwel onzichtbaar monumentje op de dijkkruin, ter nagedachtenis zou ik willen zeggen, aan de “Circul van Ooij”. Een polderdistrict dat in het jaar 1580 dijkrechten verkreeg en die bijna 400 jaar later, in 1958, weer kwijtraakte. Eenvoudig, maar erg mooi. “Op deze plaats heeft het dijkmagazijn van het polderdistrict Circul van Ooij gestaan. Het diende als opslaglaats voor poldergereedschap en dijkbewakingsmateriaal én als werk- en schaftruimte voor de polderwerkers. De bewaard gebleven steen sierde de voorgevel van het dijkmagazijn.” Aan de voorkant een bankje met uitzicht over de uiterwaard en steenfabriek de Ooij, aan de achterkant een bevoorrecht gezicht op het mooie polderlandschap. En daarna de polder weer uit via het Hollandsch – Duitsch gemaal en op weg naar militair erfgoed aan de Groesbeekseweg. De Krayenhoffkazerne en de Snijderskazerne, beide ontdaan van hun militaire functie die ik mij zo goed herinner. De gebouwen – pronkstukken van militaire architectuur uit het begin van de vorige eeuw - zien er nog net zo uit als vroeger. Het exercitieterrein en de stormbaan zijn verdwenen, er zijn appartementen in gebouwd, het is wat parkachtig geworden. Helaas heeft de activiteit van vroeger, de luid geschreeuwde commando’s, het lawaai van marcherende recruten plaats moeten maken voor een toch wel wat onwerkelijke sereniteit. “In de Kazerne” heet het grand café in de Krayenhoff. Niet al te innovatief, maar het is er goed toeven. Grote foto’s van de ooit in dezelfde ruimte biljartende Kolonial Reserve, lampen van MOOOI en een ober die er zijn militaire diensplicht heeft vervuld! Jeugdsentimet van de bovenste plank. Terug in de tijd, terwijl dat niet eens zou kunnen.