|
DE BORSTEN VAN DALIDA (12102010) Dat de borsten van Dalida regelmatig worden bestast, is goed te zien. En langs de openbare weg nog wel, ergens in Montmartre in de schaduw van de Sacre Coeur, op een wat verscholen pleintje waar vrijwel geen toeristen komen. En postuum bovendien, want de ooit zo populaire zangeres en actrice maakte in 1987 een einde aan haar leven. “La vie m’est insupportable” en dat was het dan. Op dat pleintje – de Place Dalida - staat een licht verweerd bronzen borstbeeld van haar, behalve die in een strak lijfje geperste borsten dan. Die glimmen. Waarom moeten sommige mensen toch de edele delen van bronzen beelden betasten? Op de Rotterdamse Coolsingel staat “the husband of the doll” een beeld van een clown. Op een hoedje na naakt, staat de man voorover geleund met één been op de grond en het andere been in de lucht. Het brons ziet er dof uit, maar onder de doffe bronzen buik hangt wel een glimmende bronzen piemel. Het Rotterdamse motto “niet lullen, maar poetsen” op een ludieke manier verbeeldt. Vlakbij het pleintje met de glimmende borsten, staat het huis waar Dalida tot aan haar dood heeft gewoond. Aan het eind van de korte dalende straat ernaast is het beroemde Bateau-Lavoir. Daar staan de ateliers waarin ruim een eeuw geleden onder andere Pablo Picasso, Kees van Dongen en Le Douanier Rousseau woonden en werkten. Tijdens de van Dongententoonstelling in Museum Boijmans van Beuningen zijn mooie beelden te zien van de feesten in het Parijse atelier van van Dongen, hoewel dat niet noodzakelijkerwijs het atelier van le Bateau-Lavoir was. Picasso en de aanvankelijk zwaar miskende Rousseau waren dik bevriend en ruilden doeken. Uiteindelijk bleek dat Picasso en/of zijn erven daardoor op een goudmijn zaten. Volgens mijn ter zake kundige Parijse vriend althans. Het graf van Dalida op het Cimetière de Montmartre is op afstand net zo gemakkelijk te herkennen als dat van Evita Perón in Recoleta: altijd bloemen, altijd mensen. Op Montmartre ben ik net een buslading Duitse toeristen voor en kan het levensgrote beeld van Dalida dat op haar graf staat nog net ongestoord fotograferen. Gevangen in een pose tijdens een optreden, zo staat ze erbij. Slechts de televisiecamera’s en toneelverlichting ontbreken. En dit beeld lijkt zo te zien nu eens niet te worden betast, er staan tenminste geen afdrukken van vuile handen op haar jurk of borsten. Of zou haar stralend witte japon soms iedere avond worden gewassen en gestreken? Tegenover de Pont Neuf zijn op de schuttingen die rondom Le Samaritain staan – het voormalige warenhuis is failliet en wordt grondig verbouwd - grote affiches met foto’s van Baudouin Mouanda geplakt. Foto’s gemaakt in de Congolese hoofdstad Brazzaville, foto’s van strak geklede zwarte mannen, foto’s van "sapeurs", leden van de SAPE de Société des Ambianceurs et des Personnes Élégantes. Het zijn vooral foto’s van Personnes Elégantes in een wat mindere ambiance, de meesten wonen in de armere buurten. De affiches kondigen de tentoonstelling “Africa Rising” in een naastgelegen gebouw aan, alwaar ik door een elegante mademoiselle word ontvangen. Ze geeft me een mooi uitgevoerde catalogus en daarna een korte rondleiding tijdens welke de waarheid wordt onhuld. Ze bekent een werkneemster te zijn van Louis Vuitton, hoofdkantoor aan de overkant en sponsor van deze expositie. Hoe kan het ook anders, het bedrijf dat zoveel moeite doet om mensen er elegant uit te laten zien! De aartsvader van die sapeurs, ik vind ze er fantastisch uitzien, zou G.A Matsoua zijn, de allereerste Congolees die uitgedost als een Franse heer zou zijn teruggekomen uit Parijs. Dat was in 1922, hij was de eerste Grand Sapeur. Matsoua werd nagevolgd door een kleine groep landgenoten die zich op dezelfde manier gingen kleden. Volgende generaties namen de fakkel over, ze zien er piekfijn uit hoewel ze vaak weinig te makken hebben. Iedere cent die ze over houden, wordt opzij gelegd voor het volgende elegante kledingstuk of accessoire. De foto’s van de sapeurs zijn zonder uitzondering kleurrijk en origineel, maar nog mooier vind ik de ogenschijnlijk wat gedateerde zwart-wit foto’s van Seydou Keïta. Die werden in de jaren 50 van de vorige eeuw gemaakt in zijn studio in Bamako, de hoofdstad van Mali. Eveneens foto’s van over het algemeen elegant geklede mensen – mannen, vrouwen en kinderen - die het zich konden permiteren te worden geportretteerd. Sommigen in traditionele kledij, anderen in Europese kleding, sommige dames hebben over hun eigen wenkbrauwen – mode of ijdelheid? - een extra wenkbrauw getekend. Het zijn bijzondere beelden uit de nadagen van het koloniale tijdperk. Keïta werd na de onafhankelijkheid gedwongen - Mali was enige tijd communistisch - om in overheidsdienst te treden en stopte met zijn studio. Zijn ongeveer 7.000 negatieven begroef hij in de achtertuin, die zouden pas in de jaren 90 het daglicht weer zien. Ik herinner me goed hoe weinig Bamako ongeveer 15 jaar geleden voorstelde en kan me indenken dat Keïta zeer verbaasd moet zijn geweest toen zijn foto’s opeens “handel” werden en veel geld opbrachten. Toen hij ze maakte wilde hij zijn klanten gewoon een goed portret afleveren, meer niet. Om van de zonsondergang te kunnen genieten, klim ik aan het eind van de dag stiekem het dak op van een gebouw bij de Place des Vosges. De grote metalen fleurs de lis die de nok van het Pavillon de la Reine sieren, steken scherp af tegen de oranje kleurende avondlucht. Schuin rechts Montmartre, gemakkelijk te herkennen aan de Sacre Coeur die boven de stad uittorent en vanaf hier vrijwel binnen handbereik lijkt te liggen. Parijs is een compacte stad, zo vanuit de hoogte gezien. |