DE EIEREN VAN SALVADOR DALI (10112010)

Na het zien van twee pentekeningen op de overloop van de eerste verdieping, weet ik vrijwel zeker dat de maker ervan het werk van Jeroen Bosch goed moet hebben bekeken. Die afbeelding van een mannetje die een halve eierdop als een mutsje over zijn hoofd heeft getrokken en dan ook nog eens boven op dat hoofd een andere halve dop draagt waaruit een blatende geitenkop steekt, verraden voor mij de invloed van Bosch. Die vervormde stijve pik met de kop van een geit als eikel kan ik iets minder goed plaatsen, maar het hele beeld roept Bosch bij me op. Het is een kleinformaat tekening van Salvador Dalí, net als Bosch een duivelskunstenaar in de letterlijke zin van het woord. En dan is er bovendien die gekke fascinatie van Dalí met “het ei”. Het fameuze 15e eeuwse ei van Columbus is helemaal niets vergeleken bij de 20ste eeuwse eieren van Dalí. Dat ding van Columbus is uiteindelijk een overlevering, die van Dalí zijn tenminste echt en kunnen in zijn geboortestad Figueras zowat worden aangeraakt. Ze staan en liggen daar op het dak van wat het grootste surrealistische object ter wereld zou zijn: het Teatre-Museu Dalí. De voormalige stadsschouwburg, die pal naast de kerk staat waar Dalí (1904 - 1989) werd gedoopt, was rijp voor de sloop toen de burgemeester van Dalí het voorstel deed om er een museum in te vestigen dat uitsluitend aan zijn werk zou zijn gewijd. Het theater was aan het einde van de Spaanse burgeroorlog afgebrand en nooit hersteld. Het in 1974 geopende museum werd door Dalí ontworpen, onder zijn toezicht gebouwd en ingericht, het heeft een collectie van meer dan vierduizend van zijn werken. Een slimme man die burgemeester, want het museum heeft Figueras, ondanks de duizenden Dalí-bedevaartgangers een wat slaperig stadje, waarschijnlijk behoed voor een eeuwigdurend comateus bestaan.

De grote Cadillac, met een stevig uit de kluiten gewassen - Botero achtige - bronzen vrouw op de motorkap die op de patio is geparkeerd, heet “Rainy Cadillac”. Het is een stoere zwarte auto die door Dalí tot kunstwerk werd verheven na door hem te zijn afgedankt. Zonder twijfel een stukken betere bestemming dan het autokerkhof. In een donkere zaal staat een wat sleets rood leren bankje met de rug naar de open haardjes die in een paar neusgaten branden. Er staat een rij mensen te wachten om een kansel te beklimmen. Wachten in een rij, iets waar ik een gruwelijke hekel aan heb. Achteraf zeer terecht, overtuigt mijn reisgenote me dat het wachten in deze rij de moeite waard is én het is niet eens een saaie wacht. Beelden uit mijn kinderjaren komen spontaan terug als blijkt dat in de wand waar tegen die open haardjes leunen een enorme kijkdoos is gebouwd, tot en met gesimuleerd groen cellofaanpapier in de kijkgaten! ’t Is een flink uitvergroot exemplaar van iets dat vroeger met behulp van een schoenendoos werd gemaakt. Je ging er mee langs de deur, geloof ik, of viel er je in de buurt wonende familie mee lastig en verlangde betaling voordat er mocht worden gekeken. Langs de wand beelden van een met een stoel en kettingen geknevelde vrouw, het hoofd van een Griekse godin met een oor op de plaats waar normaal gesproken de neus zit. Wie niet horen wil, moet volgens Dali dus maar ruiken. Hoewel het ondertussen duidelijk was wat er bovenop de kansel is te zien en hoewel je minder dan een minuut de tijd krijgt om het beeld in je op te nemen, is het toch de moeite waard om in de rij te hebben gestaan. Met of zonder vergrootglas kan er kort worden gekeken naar het bijzondere portret van de door Dali zeer bewonderde Mae West. Een portret dat is opgezet in de vorm van een appartement waarin, zo nodig, gewoond zou kunnen worden. Naast het bankje – de lippen -, de open haard – haar neus -, twee schilderijen – haar ogen –, vormt een aan het plafond gehangen gordijn het blonde haar. Huisvlijt, vind ik, maar wel van de allerbovenste plank.

Eigenlijk is er veel te veel te zien in het museum, op het laatst zie je door de bomen het bos niet meer en verslapt de concentratie. Mooie vroege figuratieve doeken, een enorm portret van Gala, zijn grote liefde, als decor op de achterwand van het toneel, een surrealistisch doek met de beroemde slappe horloges in een leeg landschap, een gipsen beeld van Zeus die vanuit de hoogte het menselijk gewoel op het theaterpodium bekijkt. Inventief fröbelwerk zoals de uit - gouden? – munten opgebouwde monstrans, die een aanklacht tegen de geldhonger van de katholieke kerk zou kunnen zijn, maar misschien een uiting van geloof is of wellicht zelfs van ongeloof. Een serie zo te zien getekende kerstkaarten inclusief handgeschreven groet op de achterzijde, door de meester ontworpen juwelen. Het gekke portret van Abraham Lincoln, een collage waarvan je alleen van op afstand kunt zien dat het Lincoln is. Werken die meerdimensionaal worden gemaakt met behulp spiegelde flessen of spiegels, hetgeen wel een prachtig portret van de rug, billen en benen van een vrouw oplevert. De buitenkant van het gebouwencomplex wordt door de meeste bezoekers overgeslagen, een verademing na de drukte binnen. Op balkons halverwege de voorgevel van het museum en op een daklijst staan beelden met broden op het hoofd. Op alle dakranden rondom van het complex staan gouden beelden te schitteren in de zon, veel met de armen in de lucht. Het is net of er boven op de naar Gala vernoemde rode Torre Galatea, waar Dalí tot zijn dood woonde, een flink met eieren gevuld vogelnest ligt. Eieren de symbolen van vruchtbaarheid en leven op de plek waar hun schepper stierf.