HET ENE PARK IS HET ANDERE NIET (26112010)

Alvorens onderweg te gaan om de Sagrada Familia te bewonderen, had ik in het stadspark Can Mulà de “Menhir van Mollet” al bekeken. Geen al te opwindend park, maar dat had ik ook niet verwacht in dit toch wel wat saaie voorstadje van Barcelona. Weggestopt achter de bibliotheek en de dagopvang staat de menhir in een afgeschermd hoekje. Als het “bezoekuur” om 11 uur begint, zit de toegangspoort nog stevig op slot. Ik loop om het omheining heen, maak wat foto’s door de openingen. Net ik als genoeg heb van het wachten, komt er een in stoer motorpak gestoken dame aan rennen. “Ik zag je uit de verte en probeerde te roepen dat je niet weg moest gaan!”, zegt ze hijgend in een mengelmoesje van Catalaans en Spaans. De poort wordt geopend, ik krijg een folder in het Catalaans in de hand gedrukt en sta minder dan tien tellen later oog in oog met de door een perspex omhulsel beschermde menhir. Natuurlijke nieuwsgierigheid is een vereiste, want als je die niet hebt, zie je slechts een grote rechtop staande brok graniet en vraag je je af waarom dat ding zo nodig moest worden ingepakt. Om de spuitbusjongens en meisjes op afstand te houden, bedenk ik dan maar. De vaag roze steen, die vorig jaar tijdens graafwerkzaamheden tien meter onder de oppervlakte werd gevonden, moet ergens tussen 3.300 en 2.500 jaar voor onze jaartelling – tijdens het midden-neolithicum - zijn gehakt. Bovendien zitten er een paar “gravures” in waaronder een “gezicht” of iets dat als zodanig zou kunnen worden geïnterpreteerd. Wat mij betreft zou het echter net op goed de kont van een rund kunnen zijn. De wat onderkoelde presentatie doet het toch wel mysterieuze pre-historische monument – want waartoe diende het? zo gist men zowat vijfduizend jaar later nog immer - geen recht. Niet veel wijzer neem ik de last van het onverklaarde mysterie mee in de richting richting van Barcelona.

Daar staat een ander park op het programma, het door Gaudí ontworpen Park Güell. We stappen uit op het metrostation Vallcarca waar vandaan je de weg verder niet hoeft te kennen om de ingang te vinden. Gewoon meelopen met de weet ik niet hoeveel anderen die op hetzelfde station uitstappen en dezelfde kant opgaan. Hoewel die achteringang hoog op een heuvel ligt, valt de klim reuze mee. Die is voor zowat de helft voorzien van roltrappen, een modernisme waar ik een gloeiende hekel aan heb. Op een straat moet je kunnen lopen, zelfs als het een erg steil omhoog lopende straat is. Je moet er wat kortademig kunnen worden of zweten door de inspanning of mag dat niet meer? In de omgeving van La Défense in Parijs, dat ook op een heuvel ligt, barst het eveneens van die dingen die kennelijk bij de straatmeubilair van een moderne stad horen. Het park zelf maakt veel goed goed. Allereerst door het uitzicht op de stad, de Sagrada Familia en de haven in de verte. Na een minuut of tien lopen, komt de hand van de meester in zicht: gebouwen waarvan de vorm en de kleuren van de daken en de schoorstenen die zijn signatuur dragen en de buitenmuur met “medaillons” waarin met mozaieksteentjes PARK GUELL geschreven staat. Het park is het resultaat van een mislukt vastgoedproject van Gaidi’s opdrachtgever Eusebi Güell i Bacigulpe, die op het hoog boven de stad gelegen terrein een tuinstad voor mensen die goed in de slappe was zaten wilde aanleggen. Zestig driehoekige percelen werden er uitgezet, de interesse ervoor was nihil. Uiteindelijk legde Gaudí niet meer dan de infrastuctuur voor de exclusieve wijk aan, waar hij zelf in een huis woonde dat was ontworpen door Fransesc Berenguer. Het project werd in 1914 afgeblazen, de familie Güell schonk het park vervolgens in 1922 aan de stad Barcelona. Een behoorlijke mislukking dus, maar wel een erg mooie die het zelfs tot op de werelderfgoedlijst van de UNESCO heeft geschopt.

De eenvoudige portiersloge en portierswoning van de hand van Gaudi bij de hoofdingang vallen in het niet bij de prachtige gebouwen elders in de stad. Daarna wordt het stukken monumentaler, maar het haalt niet bij de gebouwen die ik langs de Passeig de Gràcia zag. Een majestueus omhoog lopende dubbele trap met de trekjes van een amfitheater. Zo eentje die je in een paleis of een operahuis uit het begin van de vorige eeuw zou verwachten. De tussen met grof mozaiek beklede retentiemuren ingeklemde trap, heeft op zijn beurt een fleurige “middenberm” met als hoogtepunt de veelkleurige “dragon” van gebroken mozaieksteentjes, die wellicht werd geïnspireerd door de python die het orakel van Delphi bewaakte. Puur giswerk, want Gaudí heeft daar zelf nooit iets over gezegd. Boven aan de trap is er een grote schemerige ruimte die lijkt te zijn uitgegraven in de heuvel, het plafond rust op een woud van Dorische zuilen en op die plaatsen waar je een lamp zou verwachten, zijn veelkleurige schalen “geplakt”. De akoestiek is prima. De bassist en violist die er optreden, strijken toevallig net “Adiós Nonino” van Piazzolla en ik herken – niet geheel toevallig - alle aanwezige Nederlandse toeristen. De balustrade op het enorme dakterras er boven, dat ooit was bedoeld als het marktplein van de wijk, werd ontworpen door Josep Jujol. Het heeft de vorm van een zeeslang die, hoe kan het anders, eveneens kleurrijk is gedecoreerd en van zitjes is voorzien. Het uitzicht over de stad en het park benadrukt hoe rustig en mooi men hier had kunnen wonen, maar honderd jaar geleden had dus niemand zin om hier in een door Gaudí huis ontworpen te gaan wonen. Dom-Dom!