SALA 5 (02122010)

De “Oude Meester”, zoals ik de bevriende beeldend kunstenaar respectvol pleeg aan te spreken, is nogal teleurgesteld. Eigenlijk heeft hij behoorlijk de pest in nadat de directeur van het museum, waar zijn werk binnenkort zal worden tentoongesteld, hem tussen neus en lippen door laat weten dat zijn schilderijen niet in de eerder toegezegde grote zaal in de oude vleugel zullen worden getoond, maar in Sala 5 – Zaal 5 van de nieuwe vleugel. De Oude Meester vat dit op als een degradatie, een schoffering, ondanks de herhaalde verzekering dat het de enige zaal van het museum is waar zijn nogal uit de kluiten gewassen doeken tot hun recht zullen komen. In een poging de directeur wat milder te stemmen, wordt hem gevraagd deel te nemen aan een sessie om een foto vol beweging van het werk “Treindeuren” te maken. Die “deuren” bestaan uit 8 panelen van 3 meter hoog en 125 centimeter breed, een bijna getrouwe kopie van de deuren die de kunstenaar in de jaren 70 van de vorige eeuw op het terrein van een spoorwegdepôt in het Amsterdamse havengebied zag. Hij werd er door gefascineerd, klom over het hek van het “verboden toegang” terrein om er foto’s van te maken en werd prompt gearresteerd. De foto’s waren al gemaakt en daar ging het uiteindelijk om. Het waren van die zware deuren met aan de bovenkant een wiel dat over een rails loopt en die in werkelijkheid ietsje hoger waren dan het kunstwerk. Panelen van dat formaat konden echter niet worden gehangen in de Amsterdamse galerie K276 waar ze in 1978 voor het eerst zouden worden geëxposeerd. Vandaar die noodgedwongen concessie aan het formaat. “Hard edge realism” zo werd de stijl van het werk door de maker benoemd. De directeur heeft ook een behoorlijke “hard edge”. Hij weet van geen wijken, Sala 5 is het en blijft het en ook wat het aantal te hangen werken betreft weet hij precies wat hij wil: vier, niet meer! De Oude Meester slikt en slikt nog eens, kan hij dit nu wel of niet over zijn kant laten gaan?

’t Gaat niet helemaal van ganser harte, maar het wordt toch maar slikken. Iets dat mij in ieder geval veel plezier doet, omdat ik bij alle voorbereidingen ben betrokken. Op welke muur moet welk werk worden gehangen, welke toelichtende tekst komt er op de wand van de zaal, zijn de teksten in de kleine folder over zijn oeuvre wel goed vertaald? De doeken moeten worden ingepakt voor verzending en worden opgehaald. Het lijkt allemaal gesmeerd te lopen totdat er een soort noodkreet vanuit het museum komt: ”waar blijven jullie?” Ons plan was om vlak voor de opening naar Córdoba, op 800 kilometer van Buenos Aires, af te reizen, om net op tijd voor de inauguratie aanwezig te zijn. De directeur had ons immers duidelijk te verstaan gegeven dat zijn technisch dienst geen aanwijzigingen of “hulp” van goed bedoelende pottenkijkers nodig zouden hebben? Diezelfde technische jongens waren toch wel wat geschrokken van de afmetingen en het gewicht van de werken die zij een week eerder hadden afgehaald. Eén ervan moest zelfs uit elkaar worden gehaald om in de vrachtauto te passen! Gelukkig was het een werk dat is opgebouwd uit meerdere kleine paneeltjes die met stevige bouten en moeren bij elkaar worden gehouden. Wij waren hier dus min of meer op voorbereid, veranderden de reisplannen en snelden te hulp. Hoewel ik er nog nooit eerder ben geweest, komt het Museo Provincial de Bellas Artes Emilio Caraffa me vaaglijk bekend voor. De overdekte passerelles die de gebouwen verbinden, hebben van die groene glazen panelen die in Nederland soms in geluidswallen zitten en in de gevel van sommige IKEA winkels. En er stroomt net zo’n rivier van slordig neergegooide grote keien onder de uitbouw naast de beeldentuin als er door het Museumpark in Rotterdam stroomt. Vanaf de achterzijde van de Kunsthal in de richting van de Blunderput. Doch de voorzijde van de oude vleugel, een gebouw in neoclassicistische stijl met “MUSEO PROVINCIAL” in de timpaan gehakt en een gedateerd beeld van een “oso polar - een ijsbeer” in de voortuin, wekken me onmiddelijk uit deze toch wel wat dwaze droom.

De lullige lelijkheid van de museumingang, die zich tussen de oude en de nieuwe vleugel bevindt, wordt enigszins gecamoufleerd door de grote metalen sculptuur die men ervoor aan het installeren is. Maker onbekend en wij doen geen enkele moeite om uit te vinden wie er zo driftig met repen metaal, lasapparaat, schuurtol en roestopwekkers in de weer is geweest. Eenmaal binnen moet een steile betonnen trap worden beklommen - de lift is kapot, de onderdelen zijn onderweg uit Duitsland - en een gelegenheid om kort kennis maken met wat er in de twee zalen die aan het trappenhuis liggen is te zien. Schilderijen van Pablo Scheibengraf die geen enkele indruk maken en niet al te grote metalen sculpturen van Bastón Diaz, die ik er van verdenk eigenaar te zijn van een beeldhouwfabriek waarin dagelijks minstens één van zijn behoorlijk op elkaar lijkende ontwerpen wordt uitgepoept. Zijn produktie is veel te groot om in alle rust in een bescheiden atelier tot stand te zijn gekomen. Diaz, naar wij weten een protégé van de museumdirecteur, exposeert in de zaal die eerder aan de Oude Meester was toegezegd. Geheel subjectief vermoedt hij enige mate van “voortrekken”, hoewel ik de zaal – Sala 2 - objectief bezien totaal ongeschikt vind voor zijn schilderijen. Niet hoog genoeg, veel te veel ramen en daardoor te weinig aaneengesloten muren. Maar wie weet hoe Sala 5, waar we naar op zoek zijn, er uit zal zien.

wordt vervolgd