NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 42 (01102009)

Zondag, 30 augustus 2009. Als ik even buiten Citrusdal over de pas tussen de Cederberg en de Hexberg rijd, ontgaat me helaas de voorspellende waarde van de alles verhullende laaghangende bewolking. Zo’n hint van “ga nu maar naar huis, hier is verder toch niets te zien”. Want achteraf was het best een beetje flauwe kul zo’n grote omweg te maken omdat ik het idee had ergens verderop op de hoogvlakte de bron van de Olifantsrivier te kunnen zien. Zeker in dit geval zou het verstandiger zijn geweest om vooraf de kaart goed te hebben bekeken in plaats van op mijn gevoel te rijden en erop te rekenen dat het wel voor elkaar zou komen. Iets dat negen van de tien keer gebeurt, maar nu dus niet. Ruim een jaar geleden reed ik hier ook al eens, zonder echter op zoek te zijn naar het begin van een rivier. Achteraf op de kaart kijkend, is het sowieso twijfelachtig of de rivier nu ergens in de Groot Winterhoekbergen ontspringt of in de Koue Bokkeveldbergen, ergens tussen het zendingsdorp Saron aan de ene kant en Prins Alfred Hamlet aan de andere. Ik ken beide kanten van die bergruggen, die voor mijn eenvoudige VW Polo Classic zondermeer een onmogelijke opgave zouden zijn geweest. Desondanks is de rit toch wel de moeite waard omdat het voorjaar midden in de winter zijn kleuren al toont op het Koue Bokkeveld. Aanvankelijk, net als aan de andere kant van de bergpas, erg veel gele bloemen. Geel, dé voorjaarskleur van de West-Kaap. Geleidelijk aan treedt een verkleuring op door de roze bloesemende boomgaarden – kersen, appels, peren, pruimen? – de erica, de ontluikende proteas tot en met de vlammend rode bloemen waarvan ik de naam niet ken op de Gydopas, hoog boven het in de diepte gelegen Ceres en het Warme Bokkeveld. Maar wel onderweg dus de “bronnen” van de Olifantsrivier gemist en bijna net zo teleurgesteld als de laat 19e eeuwse ontdekkingreizigers die elders in Afrika de bronnen van de Nijl maar niet konden vinden. In tegenstelling tot die avonturiers, zit ik een uur of wat later in de schaduw van de Tafelberg met een glas koele wijn in de hand naar de Tafelbaai te kijken.

Zaterdag, 5 september 2009. Sinds vanmorgen weet ik het zeker, ik woon al bijna het hele jaar boven, zo niet op, een begraafplaats. Ik had al zo’n vermoeden nadat een van mijn buren, een wat mij betreft op de rand van seniliteit zwevende Griek, mij ongevraagd in de lift – zo’n moment waarop je geen kant uit kunt – begon te vertellen over de verschrikkelijke problemen die zijn zoon – de architect, projectontwikkelaar, eigenaar? ik luisterde met minder dan een half oor – jaren geleden had gehad omdat er bij het graven van de bouwput van het gebouw waarin wij thans beiden wonen “beenderen van die lui” waren gevonden. Het had tot het erg lang stilleggen van de bouw geleid en dus enorme extra kosten veroorzaakt. Dat verhaal leek me te zijn gestolen – of is het misschien andersom? – uit het boek “Ander Lewens“ van André Brink, jawel ik heb het in het Afrikaans gelezen, waarin de hoofdpersoon – als ik het me tenminste goed herinner - ook een architect is. In dat boek wordt ook een bouwwerk bijna vertraagd omdat er op de bouwplaats menselijke resten worden gevonden. Om een mogelijke bouwstop te vermijden, verplaatste een aantal “vertrouwde” medewerkers onder dekking van de nacht de vindplaats – de beenderen dus - naar de rand van het terrein. Die vlieger ging voor het aan de Prestwichstraat gelegen gebouw waarin ik woon niet op. Als ik uiteindelijk de twee straten verder gelegen “Prestwich Memorial” met de deuren geopend aantref, kan ik dat met eigen ogen zien. Ik loop een paar keer per week van mijn werk naar huis langs dit gebouwtje op de hoek van de Buitengragt en Somersetweg, maar het is altijd gesloten. De openingstijden vallen samen met mijn werktijden, maar in de aanloop naar het WK voetballen is het voortaan ook op zaterdagmorgen open.

Er liggen in kinderhoofdjes verzonken spoorrails voor de ingang, op een bordje staat de toelichting dat hier meer dan honderd jaar geleden de door paarden getrokken tram naar Groenpunt stopte. Het voormalige “stationnetje” staat er tegenover, aan de andere kant van de Buitengragt ligt “Railwayhouse”. Wat verwacht je er dan te zullen zien? Allerminst de rijkdom aan nieuwe kennis die ik zal opdoen. Binnen is een kleine expositieruimte en er bevindt zich een ossuarium, een knekelhuis, waarin de beenderen die werden opgegraven op de plek waar nu mijn auto staat geparkeerd nog steeds in dozen worden bewaard. Er staan wat van die verplaatsbare panelen waarop vooral fotomateriaal en reprodukties hangen, “het waarom” van de memorial uit de doeken wordt gedaan en een historisch perspectief in woord en beeld wordt gegeven. “Distrikt Een” heette dit in koloniale tijden net buiten de bebouwde kom van Kaapstad gelegen gebied, het was aangewezen om niet blanke doden te begraven. Uit het zicht van de stad, in wat nu de overwegend blanke wijken – de Waterkant, Groenpunt en Seepunt – zijn waar mensen wonen die het voor de wind gaat. Dankzij de altijd op de achtergrond aanwezige Tafelberg, Leeuwekop en Seinheuwel, is één prent, die het grootste deel van de enige lange muur bedekt, heel herkenbaar. Het is een reproductie van het “Panorama Robert Gordon” dat in 1778 werd geaquarelleerd door de in Doesburg geboren Robert Jacob Gordon. Een vrijwel onbekende landgenoot die in dienst was van de VOC, maar nota bene wel een van de allereerste echte Europese ontdekkingsreizigers in Afrika.

wordt vervolgd