|
NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 47 (24102009) Zaterdag, 19 september 2009. De luxe brochure van Klippe Rivier, “Zuid-Afrika’s eerste vijfsterrenlandhuis”, ligt al meer dan een half jaar op mijn leestafel te wachten om er iets mee te gaan doen. ’t Is nu opeens wel opschieten geblazen, het laagseizoenstarief is nog maar tot het eind van de maand geldig. Daarna wordt een nachtje slapen in hetzelfde bed half zo duur. Mijn vaderlandse DNA wordt vijwel automatisch geactiveerd: zoiets mag je niet laten lopen. Als bonus heeft het rond 1820 gebouwde huis bovendien een interessante geschiedenis – de grootouders van Marthinus T. Steyn, de laatste President van de Oranje Vrijstaat woonden er – en het is feeëriek gelegen op de oever van de, hoe kan het ook anders, de Klipperivier. Waarom die rivier zo heet, vermoedde ik natuurlijk al en krijg dat bij het oversteken ervan bevestigd: de bedding is bezaaid met grote “klippe”, met keien. De Oranje Vrijstaat was één van de boerenrepublieken die tijdens “die Groot Trek” door de Voortrekkers werden gesticht. Door Afrikaners die zich wilden onttrekken aan het Britse gezag in de Kaapkolonie en de verengelsing van het dagelijks leven. Die onafhankelijke republieken verdwenen na de Boerenoorlog toen ze opgingen in de Unie van Zuid-Afrika. De herinnering aan de voormannen die “ons cultuurgoed” tijdens die oorlog verdedigden, leeft voort in vele Afrikanerbuurten met een Paul Krugerstraat of een Marthinus Steynstraat. Hoewel ik sterk betwijfel of de tegenwoordige bewoners enig benul hebben wie Kruger of Steyn dan wel waren. Maar goed, ik laat me dus met dit soort faits divers lijmen en ga duurder dan normaal overnachten. Of zoals ze vroeger in de Rotterdamse Afrikaanderbuurt gezegd zouden hebben, toen er nog uitsluitend Nederlands werd gesproken: ik laat hem dit weekeinde eens lekker uit de broek hangen. Er heerst volslagen rust, de andere gasten moeten nog arriveren, ik krijg een klassiek ingerichte kamer waar een klein gezin in zou kunnen verdwalen. Twee dubbele bedden, een ruime zithoek met open haard, een boudoir met een klassieke Amerikaanse barbershopstoel, een badkamer met vrijstaande badkuip. De salons in het landhuis staan vol met zwaar meubilair en antiquiteiten én met hier en daar een subtiele verwijzing naar het nieuwe Zuid-Afrika in de vorm van keramieken bustes van zwarte dames in hun traditionele kledij. De bedienden informeren op fluistertoon naar mijn wensen, ze verschijnen en verdwijnen zonder enig geluid te maken. De dame die de leiding heeft komt vertellen dat de gasten om 7 uur in de bibliotheek worden verwacht voor een aperitief en een gesprek met de kok en dat het diner daarna om half acht zal worden opgediend in de eetzaal. Ordnung muß sein!!! Ik doe net of het allemaal heel vanzelfsprekend is en speel mijn rol in dit toneelstukje mee, ook al vind ik het volslagen flauwe kul. Zo hoort het kennelijk in een vijfsterrenlandhuis. Even na zevenen ontmoet ik de andere gasten: een echtpaar uit Schotland en een stel uit Parijs dat op huwelijksreis is. De bruidegom is een bijna afgestudeerde farmaceut, zijn bruid een verpleegster. Zijn ouders hebben een goed lopende apotheek in Valence, zij zit geborsteld. De Schotten uit Glasgow genieten van hun pensioen. Tot mijn teleurstelling kookt de chef vanavond niet de op de website beloofde waterbloemtjiessoep en struisvogelbiefstuk, maar Springbokcarpaccio vooraf, varkensfricandeau met rode kool en appeltjes als hoofdgerecht en peertjes in rode wijnsaus toe. In de salon converseren we beschaafd, in de eetzaal wordt een ieder naar zijn eigen tafel gebracht en komt een abrubt einde aan de gesprekken. De Française fluistert zoete franse woordjes tegen haar lot uit de loterij. Ik doe net of ik geen woord Frans spreek. Al doende kan ik van de maaltijd én een hoorspel genieten. Na het eten brandt in mijn kamer de open haard, er ligt een warmwaterkruik in mijn bed. Dat vind ik echte vijfsterrenservice. Zondag, 20 september 2009. Het gezang van vogels wekt me veel te vroeg. Het wordt net licht, de nevel hangt nog om de toppen van de Langebergen. De gebouwen liggen er stralend wit bij, alsof ze iedere dag van een verse kalklaag worden voorzien. Iets dat me niet eens zou verbazen. De slavenklok staat er nutteloos bij, de moderne werknemer vertrouwt op een horloge of een mobiele telefoon. De Schotten komen al terug van het vogeltjes kijken, in en rond het landgoed komt zo’n beetje de helft van de aan de Zuid-Kaap bekende 340 vogelsoorten voor. De Fransen doen nog wat jonggehuwden op huwelijksreis doen. Gistermiddag was het te laat voor een bezoek aan het Drostdymuseum, vanmorgen is het te vroeg. Het is ook nog te vroeg om terug te gaan naar Kaapstad, dan nog maar een keer naar de meest zuidelijke punt van het Afrikaanse continent, dat op minder dan 100 kilometer naar het zuiden ligt. Over een weg door een golvend heuvelland met vrijwel niets anders dan uitgestrekte landerijen en af en toe een boerderij. Potentiële rovers worden gewaarschuwd dat er hier een “PLAASWAG” is, een voor zover ik weet onderling georganiseerd waarschuwingssysteem tegen overvallen. Aardig wat door bloeiende canola geel gekleurde landerijen, dichter naar de kust lange hagen van geel bloeiende bomen. Aan het einde van het continent die irritante “vanuit zee binnen drijvende wolkenvelden”. Aan de horizon een paar vrachtschepen, waarvan er steeds meer een flinke omweg maken om de Somalische piraten te vermijden. Ik moet opeens heel erg nodig pissen en moet kiezen tussen de Atlantische- en de Indische Oceaan die elkaar hier ontmoeten. Zonder lang na te denken, de nood is erg hoog, wordt het de Indische. wordt vervolgd |