JOS EN JACQUES: SAMEN 130! (16032011)

Lagos, 1991. Omdat toeval niet bestaat, kan het geen toeval zijn geweest dat Jos en ik elkaar toevallig tegenkwamen in de toenmalige Nigeriaanse hoofdstad. Hoewel het toeval, wat mij betreft, er zeker een handje bij hielp. Een bevriend echtpaar had hem een lift gegeven van het vliegveld naar het stadsdeel Ikoyi met de bedoeling Jos daar bij een hotel achter te laten. Als dat was gebeurd, had ik hem vrijwel zeker nooit ontmoet. Nee, hij had geen kamer gereserveerd en het hotel waar ze langs kwamen was vol. Lagos was destijds sowieso geen stad waar je op de bonnefooi naar toe moest reizen. Hij mocht bij het bevriende echtpaar blijven logeren en nam deel aan ons zondagse ritueel: een ontspannen dag in en rond onze strandhut op Eleko Beach, een uur buiten de stad. En daar raakten we in gesprek, een ontdekkingsreis onder de palmen. Hij, journalist, ging rapportages maken in Nigeria, Benin en Mali voor de wereldomroep. Onderwerpen: Afrikaanse literatuur, AIDS en de illegale export van cultureel erfgoed. Stuk voor stuk thema’s die ook mij bezighielden. Zo had hij een afspraak voor een vraaggesprek met Wole Soyinka, de Nobelprijswinnaar voor literatuur! Iets dat bij mij groot respect afdwong en enige jalousie opwekte. In de loop van de dag ontdekten we bovendien dat we op dezelfde dag in hetzelfde jaar waren geboren, meer dan genoeg aanleiding voor iets meer dan een vluchtige kennismaking. Toen waren we samen niet eens 100 jaar oud.

Jos komt eten, inspecteert de boeken die er staan en ontmoet mijn Nigeriaanse geliefde. Hij wil haar uitnodigen voor een interview over AIDS, met mij wil hij een vraaggesprek over Afrikaanse literatuur opnemen. Desgevraagd bekent mijn geliefde aan “seriële monogamie” te doen en niet aan condooms. Voordat ik over literatuur mag praten, word ik tot mijn verassing eerst aan de tand gevoeld over AIDS in Afrika. Na eveneens te hebben bekend niet aan condooms te doen, stelt Jos de terechte vraag “hoe weet je dan dat het goed gaat?”, mijn balorige antwoord is “och, ik kijk af en toe naar beneden en zie dan wel of het goedzit”. Een uitspraak die later in een groot artikel over AIDS in de Volkskrant zal worden geciteerd. Een kennis weet zeker dat ik dat moet hebben gezegd, gooit het artikel in mijn Rotterdamse brievenbus en schrijft erbij: “over een poosje kijken wij naar beneden en zien dan dat jij er goed bijligt”. Daar kon ik wel om lachen. In de jaren erna onderzoek ik hoe gemakkelijk het is om cultureel erfgoed te smokkelen en rapporteer dat aan Jos, die er een boek over aan het schrijven is. Op het vliegveld van Bamako zegt de geüniformeerde heel vriendelijk “jij hebt zeker niets bij je he?”en wuift mij door. Op een terras aan lagoon van Cotonou wordt mij van alles en nog wat aangeboden, in Lagos regelen bevriende handelaren voor een habbekrats uitvoerdokumenten. In het vliegtuig naar Nederland kom ik een paar keer een landgenoot tegen met een tas vol Nok terracotta. En dat terwijl ik kort daarvoor had moeten dreigen om een alledaagse aardewerk pot kapot te gooien, voordat ik die kom meenemen. Volgens de allesbehalve terzake kundige ambtenaar een “antiquiteit”.

Amsterdam, zomer 2001. Zonder enig probleen kon ik in 1999 het prachtige Nok-hoofd uitvoeren dat bevriende Nigerianen mij als afscheidscadeau gaven. Toen ik voorzichtig opmerkte dat het verboden was om het uit te voeren, moesten ze erg lachen. “Na 10 jaar Nigeria weet je toch wel hoe dat moet?” De verhuizers waren aan het inpakken en het cadeau ging als “linnengoed” mee. Het zou een verhaal met een staartje worden. Ter gelegenheid van het verschijnen van zijn boek “Goden, graven en grenzen” werd een uitzending van ”Rondom 10” gewijd aan kunstroof vanuit onder andere Afrika. Via Nederland was ik met een flinke omweg onderweg van Brazilië naar Argentinië en werd uitgenodigd voor de uitzending als zijnde “deskundig”. Na te hebben bevestigd dat ik Nok aardewerk bezit, kwam de vraag of het moeilijk is om cultureel erfgoed uit Afrika te smokkelen. Mijn bevestigende antwoord irriteerde Jos mateloos, niet om dat ik het zei, maar om de manier waarop. Een dag na de uitzending belt hij op en zegt dat hij onze vriendschap tegen het licht aan het houden is. Ik was met stomheid geslagenen en dacht “wat een gedoe om niets”. Uiteindelijk was ik toch blij dat het met een sisser afliep. We waren toen samen ruim 110 jaar oud, dan ga je toch niet meer uit elkaar?

Utrecht, mei 2010. Zo’n beetje de eerste mooie voorjaarsdag die noodt tot een stadswandeling door het centrum en over de wallen van de stad. Een snelle blik in het Aartsbischoppelijk Museum waar door een verbouwing slechts een paar zalen kerkelijke rijkdom zijn te bewonderen. Zalig zijn armen van geest, zolang de dankzij hun bijdragen gefinancierde religieuze symbolen maar ongekende weelde uitstralen. Ik heb nooit al te veel opgehad met die Roomse overdaad. We belanden op het terras van het Louis Hartlooper Complex. In dat voormalige politiebureau zijn filmzalen gevestigd en een café-restaurant. Over de Tolsteegbrug, met monument ter herinnering aan de aftocht in 1813 van de Franse bezettingstroepen, komen studenten en studentes de stad binnenfietsen en wandelen. Ondanks de zogenaamde zware economische crisis zitten de terassen stampvol. Terwijl ik me net afvraag of Nederlandse meidenbenen steeds langer worden of hun rokjes steeds korter, overvalt Jos me met de vraag “ben jij ook aan het ontzamelen?” Helderheid van geest op dit namiddaguur redt me “ben jij dan soms van plan om binnenkort uit te stappen?”, is mijn repliek. Ontzamelen? Ik ga door met verzamelen tot de laatste zucht! Tenslotte vieren we vandaag pas onze 130ste verjaardag.

ps volgende week Jos zijn kant van deze "memoire".