|
NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 53 (20112009) Zaterdag, 24 oktober 2009. Vanrhynsdorp uit, op naar Calvinia over de weg die langs de voet van de Matzikamabergen loopt tot aan de bergpas die het verkeer als het ware een lift geeft naar het ruim 800 meter hoger gelegen Bokkeveldplateau. Aan de linkerkant begint de Knersvlakte met de Droë Rivier – Drogerivier is toch geen naam voor een waterweg? - en de Gemsbok Rivier, twee rivieren zonder een druppel water. Hoog op de Vanrhynpas is de loop van die droge beddingen goed te volgen dankzij het groene lint van boompjes en struiken dat door de verder kale vlakte slingert. De bovenkant van de ruim duizend meter hoge bergrug wordt uit het zicht gehouden door laaghangende bewolking, bijna bovenop de pas, net over de provinciale grens met de Noord-Kaap, begint het te regenen. Die wolken hingen er dus niet voor niets. In Calvinia doe ik nogmaals een tevergeefse poging om het in de voormalige synagoge gevestigde museum te bezoeken, waardoor ik al vroeg in de ochtend enigszins de pest in krijg. Hoewel het niet eens de museumcollectie is die me interesseert. De door in deze streek rijk geworden wolhandelaren gebouwde synagoge zou een mooi art deco interieur hebben dat ik graag eens had willen bewonderen. Het zit er helaas niet in, de beheerster had me een paar maanden geleden trouwens telefonisch al verteld dat ze met pensioen zou gaan. Ruim twintig kilometer buiten de bebouwde kom staat de bijna ontmoedigende richtingaanwijzer: Upington 386km. Upington, het stadje aan de Oranjerivier waar ik voor vannacht een kamer heb gereserveerd. Langs die urenlange weg, de R27, liggen slechts drie dorpen: Brandvlei, Kenhardt en Keimoes. Er is nauwelijks ander verkeer dat dezefde kant opgaat, evenmin zijn er veel tegenliggers. Dit is de onherbergzame Noord-Kaap, de dunst bevolkte provincie van Zuid-Afrika. Ruig, droog en vrijwel verlaten land dat verder naar het noorden, na de Oranjerivier, overgaat in de grote Namibische Kalahariwoestijn. Wonderschone door vulkaanuitbartsingen en lavastromen gevormde rotsformaties, jonge spitse vulkaankegels die door een keurige hoed lijken te worden bekroond en stapels nonchalant los gestorte grote zwarte keien, alsof het moderne kunstwerken zijn. In de verte soms een boerderij, daar moet dus wel water zijn. Dichterbij, in de berm van de weg, hebben wevervogels op de palen van de elektriciteitskabels enorme taps toelopende nesten gebouwd die wel wat weghebben van een flink uitvergrote parasolzwam. Die nesten van gras, soms zijn het er twee boven elkaar, worden door meerdere families bewoond, flatgebouwen voor kleine vogeltjes die me enorm boeien. Halverwege Brandvlei en Kenhardt staat een geïmproviseerde richtingaanwijzer naar Verneukpan, naar de 60 kilometer lange zoutvlakte waar Sir Malcolm Campbell met zijn Blue Bird in 1929 poogde de snelste man ter wereld te worden. Puur op de gok, aan GPS doe ik niet, rijd ik het onverharde pad op, 35 kilometer lang. Dan kom ik bij een wegsplitsing, weet niet welk pad ik zou moeten kiezen en geef het op, ook al omdat het dreigt te gaan regenen. De puntige op een paal gespijkerde plank waarop “AFD.PAD.NO. 2984” staat, zegt me eerlijk gezegd niet zoveel. Vlak voor Kenhardt staat een formele richtingaanwijzer naar Verneukpan. Nog maar eens. Een onverharde weg met veel zanderige stukken waarop het ongemakkelijk rijden is, doch die de moeite waard wordt doordat ik voor het eerst van mijn leven kokerbomen zie. Eerst van veraf en dan van dichtbij. Zwaar uit hun krachten gegroeide vetplanten op een stam zijn het die tot de familie van de Aloë behoren. Onwaarschijnlijk mooi die lage boompjes die eenzaam in de halfwoestijn staan te overleven en die eigenlijk geen boompjes zijn. Ze bloeien zelfs! De Bosjesmannen maakten pijlkokers van de takken, vandaar de naam. Het wordt inmiddels laat, veel te laat. Ik wil nog naar Putsonderwater én voor donker in Upington zijn, ik laat Verneukpan maar voor wat het is. Verneukt voel ik me, gigantisch verneukt. In Kenhardt, een woestijndorpje van niets, sla ik af naar Putsonderwater. De opnieuw onverharde weg is meer dan slecht. Tot mijn geluk passeer ik een zeldzame richtingaanwijzer waarop staat dat de afstand naar Marydale, iets voorbij Putsonderwater zo weet ik, 100km is. Meteen rechtsomkeert, dat red ik nooit met de weinige benzine die ik nog heb en/of voordat de duisternis invalt. Terug naar Kenhardt, de R27 weer op richting Keimoes. Na honderden kilometers dorre droogte, verschijnt uit het niets een frisse groene oase, de Oranjerivier kan niet ver weg zijn. Ik heb de groene Kalahari bereikt, de zuidelijke rand van die woestijn die hier bloeit dankzij het water van de langste rivier van Zuid-Afrika. Robert Jacob Gordon, werknemer van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, moest die zonodig naar het Huis van Oranje vernoemen. Ver van huis blijft de vaderlandse geschiedenis me achtervolgen. Eilandjes in de rivier, veel bruggetjes, wijngaarden, grote luxe huizen, de Oranjerivier Wynkelders. Midden in een woestijn ligt de meest noordelijke wijnstreek van het land. Upington, is veel groter dan ik dacht en veel welvarender. Na 736 kilometer door een zo goed als kurkdroog gebied te hebben afgelegd, neem ik in Bain’s House, mijn slaapplek voor vannacht, gelijk een Hugo Chavez douche om het stof af te spoelen. Niet meer dan 3 minuten dus en, om vooral zuinig met water om te gaan, snel een plasje doen terwijl je aan het douchen bent. wordt vervolgd |