|
NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 54 (27112009) Zondag, 25 oktober 2009. In Upington staan de jacaranda’s in bloei! Ik word overvallen door een licht gevoel van heimwee naar Buenos Aires. Daar ziet de hele binnenstad er in november lichtpaars uit dankzij de bloemen van jacaranda’s. De mooiste maand van het jaar, die ik dit jaar helaas zal missen. Eigen schuld, dus niet zeuren. Schrale troost dat ik vannacht in het huis heb geslapen dat ooit werd bewoond door Major Andrew Geddes Bain, kleinzoon van Andrew Geddes Bain de passenbouwer en zoon van Thomas Bain die in de voetsporen van zijn vader trad. In de 19e eeuw bouwden ze gezamenlijk meer dan 20 passen die Zuid-Afrika stukken toegankelijker maakten. Dankzij hun vernuft en doorzettingsvermogen heb ik de afgelopen twee jaar een groot deel van de West-Kaap kunnen doorkruisen. Zulke illustere voorouders maken het leven van de nazaten niet eenvoudig. Major Bain, hij streed in de Eerste Wereldoorlog vandaar de “major”, was een “surveyor”, een landmeter die in en rond Upington de grenzen van de boerderijen afpaalde en in kaart bracht. Dat verklaart waarom er in de hal van het huis en op de buitenmuur antiek lijkend landmetersgereedschap staat en hangt, hetgeen het helemaal verkeerd gemoderniseerde huis alsnog een authentiek tintje geeft. Van het rustgevende uitzicht op de Oranjerivier vanaf de achterstoep zijn ze gelukkig met hun tengels afgebleven. Op deze favoriete plek van Major Bain lees ik in het boek “Playing the enemy” nogmaals een aantal fragmenten van de trieste geschiedenis van de “Upington 26”. Zesentwintig mensen uit de township Pabellelo die in november 1985 betrokken zouden zijn geweest bij de moord op een zwarte politieman. Veertien van hen, de “Upington 14” werden in mei 1989 ter dood veroordeeld, doch uiteindelijk niet opgeknoopt. In mei 1991 werden elf in hoger beroep vrijgesproken, de drie anderen kregen straffen opgelegd van tussen 8 en 12 jaar. Waar ik vanavond ga logeren weet ik nog niet, hoe ik daar naartoe zal rijden ook niet. Dit wordt een dag van op de bonnefooi. De stad uit, de Oranjerivier over, N10 richting Prieska, bijna 200 kilometer naar het zuiden. Zonder veel moeite negeer ik de de afslag naar Swartkop, in de buurt waarvan Verneukpan moet liggen. Tot aan Groblershoop weinig anders dan wijngaarden aan de kant van de weg waar de rivier moet lopen en droge halfwoestijn aan de andere. De kerkdienst is in volle gang, aan een lantarenpaal hangt een gebodsbord met het opschrift “STILTE KERK – SILENCE CHURCH”, ik rijd er heel voorzichtig voorbij. Aan de overkant worden CHE radiatoren verkocht, CHE staat in deze voor Cape Heat Exchange en heeft nu eens niets met de Argentijnse revolutionair te maken. Het dorp weer uit en dan, geheel onverwacht, een afslag naar Putsonderwater! Deze herkansing moet hoe dan ook met beide handen worden aangepakt, ik ga boven op de rem staan en sla rechts af een rulle zandweg in. Het is een verschrikkelijk slechte weg, veel te veel stenen en keien, de wielen van de auto ploegen er doorheen, het is bijna onmogelijk het stuur recht te houden. Het lijkt erop of deze natuurlijke barrière is opgeworpen om iedereen die hier niets te zoeken heeft te weerhouden om verder te rijden. De weg loopt door een totaal verlaten gebied, na 20 kilometer een boerderij, kort daarna de spoorlijn en het tot spookdorp gedegradeerde Putsonderwater. Twee tot drie handen vol huizen en een station. Dit station aan de lijn tussen de Aar en Upington hield het dorp in leven, toen die verbing een jaar of acht geleden definitief werd opgeheven, trokken de laatste inwoners weg. Het stationsgebouw en de naastgelegen dienstwoningen zijn kort en klein geslagen. Wat gesloopt kon worden is gesloopt, wat los zat is gestolen, ruiten zijn ingeslagen, de rest is vernield. Onvoorstelbaar dat de prijs voor het mooiste station van het land nog maar twintig jaar geleden, in 1989, aan deze puinhoop werd toegekend. En ja, in de voormalige stationstuin staat dus inderdaad een put zonder water. Aan de buitenkant van Prieska raadpleeg ik mijn grote lijnen toeristenkaartje van niets. Over het dunne rode streepje via Carnarvon naar Sutherland rijden en daar te overnachten lijkt me wel wat, een paar kilometer lang tenminste. Wat een verschrikkelijke kloteweg vol gaten is dat. Plan B, via Van Wijksvlei, Brandvlei en Loeriesfontein naar Nieuwoudtville over een ander rood streepje. Dat begint erg veelbelovend met glad asfalt, doch niet verder dan Kronos, een substation van ESKOM, de elektriciteitsmaatschappij. Het staat eenzaam in het niets, met gepantserde wachttorens uit de apartheidstijd. Het asfalt houdt er subiet op, de onverharde weg begint opnieuw. Ik ben inmiddels te ver gereden om een Plan C te willen bedenken en begin, zo ondek ik uiteraard pas achteraf, aan een rit over honderden kilometers grondpad door een zo goed als onbewoond gebied. Van Wijksvlei is halverwege het eerste dorp van niets op mijn pad, een serieuze kandidaat om het volgende Putsonderwater te worden. Niets open, niets te koop, niemand op straat. De naald van de benzinemeter hangt veel te veel naar links in een streek waar mijn mobiele telefoon geen signaal heeft. Net voordat het mis dreigt te gaan, zie ik de verte de reflexie van de zon op daken. Het kan haast niet anders, dat moet Brandvlei zijn. Het benzinestation is zowaar open op zondag. Hoewel ik nu de rest van de dag over asfalt zou kunnen rijden, kies ik toch voor de onverharde weg via Loeriesfontein. Volgens de pompbediende verkeert de weg in prima staat. wordt vervolgd |