NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 55 (01122009)

Maandag, 26 oktober 2009. Het vroege strijklicht kleurt de wijngaarden lekker fris groen, een welkome afwisseling na de ruim 900 kilometer Karoo halfwoestijn van gisteren. Van het plan om in Nieuwoudtville te overnachten kwam niets terecht omdat de heer van Zijl, eigenaar van het meerendeel van de horeca aldaar, zijn personeel naar huis had gestuurd bij gebrek aan klanten. Een biertje mocht ik met hem drinken, meer niet. In Vanrhynsdorp wilde ik niet nog eens gaan slapen en zo kwam ik tenslotte terecht bij Gastehuis Ruanda aan de buitenkant van Vredendal. “Klein, aber mein”, aan de overkant, sprak me niet zo erg aan. Dit “Ruanda” is afgeleid van de voornamen van de drie dochters van de vorige eigenaren en beslist geen hommage aan Ruanda of aan Hotel Ruanda, zo wordt me verzekerd. En ik bof dat dit een rustig weekeinde is, tijdens het vorige was er een grote evangelisatiebijeenkomst en volgende week is het Rittelfeest, een feest “waar iedereen naar uitkijkt”. Zo te horen bof ik inderdaad. Bij de twee grote wijnkelders in Vredendal gaat het proeflokaal ’s ochtends om acht uur al open. Ik wil niet de eerste proever zijn op de vroege maandagmorgen, dus loop pas tegen half negen naar binnen bij Namaqua. Volgens eigen zeggen de meest verkochte wijn in Zuid-Afrika. Als wijn vroeg in de morgen al lekker smaakt, zit het later op de dag zeker goed. Ik sla wat 3 literpakken in van het Gôiya label om tot het eind van mijn verblijf in Kaapstad - over vijf weken – bij de slijter weg te blijven. “Gôiya”, is volgens het etiket “het woord voor wijn in de taal van de San, de bewoners van de Kalahari Woestijn. De unieke manier van leven van deze nomadische Bosjesmannen, die wordt bedreigd door de moderne wereld, is de inspiratie voor onze wijnen”. Zo worden de San, wiens nazaten hier voor een habbekrats in de wijngaarden werken, tot inspiratiebron verklaard voor een produkt dat ze niet eens kenden en waaraan een aardig deel van hun nageslacht behoorlijk aan verslaafd is geraakt. Mijn grootste angst is om tijdens de weekeinden langs donkere landwegen te rijden en daar een zwalkende dronken gekleurde medemens aan te rijden. Dronken blanke medemensen lopen niet, die zitten altijd in een auto.

Vredendal, Houmoed, rechtsaf het grondpad naar Lambertsbaai op. Daar staat ergens een verscholen richtingaanwijzer met het opschrift “Historiese Gedenkwaarighede”. Die liggen in het gehucht Heerenlogement en bestaan uit de Heerenlogementgrot hoog in de bergwand, een voormalige rustplek voor VOC functionarissen – Heeren immers – op dienstreis en een rond “fort” van verroest golfplaat uit de Boerenoorlog. Merinoschapen, een handvol afgesloten huizen, een enkele boerderij. Op vrijwel alle naambordjes staat “van Zyl”. Dat er landbouw wordt bedreven is te zien aan de fraaie patronen in het landschap, gevormd door lage groene windhagen die de nu droge gele akkers beschermen tegen de zeewind. De onbereikbare monumenten van dichtbij bekijken is er helaas niet bij. Graafwater, Leipoldtville met de ronde aardappelakkers van het Sandveld, Elandsbaai, de Westkustweg naar Kaapstad. De radio meldt dat er noodweer heerst, wegen zijn geblokkeerd door omgewaaide bomen en ongelukken. Ik heb nog twee uur voor de boeg, tegen die tijd zullen de problemen toch wel zijn opgelost? Niet dus. Zo krijg ik een onverwacht ommetje door de “blanke townships” aan de overkant van de Tafelbaai aangeboden. Blouberg, Milnerton en Tableview, slaapsteden die ik normaal straal negeer. Boven de duinen steekt de Seli I uit, het kolenschip dat een paar maanden geleden op drift raakte en hier op het strand terecht kwam. Gek gezicht. Een half uur later, na 2.255 kilometer, hebben zowel de auto als ik er voorlopig even genoeg van.

Woensdag, 28 oktober 2009. De kerstverlichting in het centrum van Kaapstad wordt vandaag officieel geïnaugureerd. Maandag nog luisterde ik naar een lange radiodiscussie waarin werd geklaagd dat winkels en winkelcentra ieder jaar eerder worden opgetuigd met kerstversiering. Amerikaanse toestanden! Foei! Ik ben het daar hartgrondig mee eens. Kerstmis op het zuidelijk halfrond is toch al behoorlijk vervreemdend voor iemand die zijn halve leven op het noordelijke heeft gewoond. Korte dagen, sneeuw, ijs, schaatsen en kou bepalen de kerstsfeer, niet een brandende zon, dagen aan het strand of een strak blauwe lucht. De andere klaagzang heet vandaag “Neem nou gehakt” het hoofdredactionele commentaar in mijn digitale krant. Men bespreekt de wat suffige polemiek rond de recent gepubliceerde “Vleeswijzer”. Daar gaat de vaderlandse discussie over tijdens de economische tegenpoed, over gehakt. Nee, dan toch maar liever een warme, zonovergoten Kerst in het zuiden.

Zaterdag, 31 oktober 2009. Onderweg om wat foto’s van de Seli I te gaan schieten, kom ik zelfs op zaterdag in een langzaam voortkruipende file terecht. De aanleg van de busbanen naar Kaapstad is de schuldige. Het is geen saaie file. Zo heeft iemand op de kont van zijn Mazda sportcoupé “Mazdarati” gecaligrafeerd, op de zijkant van een bestelauto staat “Wij zijn onderweg om te herstellen, wat uw echtgenoot gisteren heeft gerepareerd”. De Seli I ligt gelaten te wachten tot de ruziënde overheidsinstanties er uit zijn wie de kosten voor de berging gaat betalen. Het schip moet natuurlijk gewoon blijven liggen waar het ligt, vind ik. Mooi afstekend tegen de Tafelberg aan de overzijde is het wrak onbedoeld een monument geworden voor het ambtelijke onvermogen.

wordt vervolgd