|
NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 60 (22122009) Vrijdag, 6 november 2009. Stomtoevallig bericht de radio over bloeddiamanten, over Zimbabwe en over het Kimberleyprotocol dat beoogt diamanten waar bloed aan kleeft uit te bannen. De film “Blood Diamond” met Leonardo DiCaprio in de hoofdrol schiet me te binnen, een fraai verfilmd niet zo fraai verhaal. Robert Mugabe doet wat hem al veel te lang door de internationale gemeenschap wordt toegestaan: het verrijken van zichzelf en zijn medestanders door het uitbuiten en verpauperen van onderdanen die het niet al te zeer met hem eens zijn. Schande!! Alle goede bedoelingen van het Kimberleyprotocol ten spijt, geven die hem keer op keer respijt. RapNet, het samenwerkingsverband van de grootste internationale diamanthandelaren, vindt wél dat de maat vol is en heeft besloten om diamanten uit de Marangemijn niet langer te verhandelen. Een mijn waar de plaatselijke bevolking onder gewapende dwang naar diamanten graaft voor Mugabe & Co. De Kimberley Club, opgericht in de tijd dat er in Kimberley geen enkel protocol bestond voor de meedogenloze diamantairs van het eerste uur, straalt de weelde van toen uit. Veel foto’s van het beleg door de Boeren tijdens de Boerenoorlog, nog altijd een Oppenheimer – grootaandeelhouders van De Beers - in het bestuur, borst en levensgrote beelden, ingelijste brieven en foto’s van Cecil John Rhodes die in Kimberley fortuin maakte. Maar om nou te zeggen dat het hier gezellig is, nee verre van dat. In de bar zitten een viertal volgens het reglement geklede leden te kaarten, in de Rhodes Dining Room zit ik in mijn dooie eentje aan tafel. Door het schemerlicht kan ik het menu niet lezen, laat staan mijn boek. Springboksteak, het hoofdgerecht, is de eerste happen smakelijk, de rest blijkt rauw te zijn en gaat terug naar de keuken. Daar begint vervolgens een luidruchtige discussie over iets dat ik net niet kan verstaan. Als ik hier voor de Michelingids zou zijn dan kreeg dit boutiquehotel, met een ambitie van heb ik jou daar en een ambiance van driemaal niets, een topplaats op de lijst van plekken die men beter kan mijden. Zaterdag, 7 november 2009. Voor dag en dauw wakker, die Groot Gat – the Big Hole van Kimberley wacht. Wat tot 1871 het niet al te hoge Colesberg Koppie was, eindigde in 1914 als een 214 meter diep gat, nadat er dieper en dieper naar diamanten was gemijnd. De open mijn stortte gedeeltelijk in en staat nu deels vol met water, maar een groot gat is het, dit monument van menselijke hebzucht en doorzettingsvermogen. Het maakt deel uit van een minipretpark dat Kimberley en diamanten als thema heeft. Voordat de bezoeker naar binnen mag eerst een snelle swipe met de metaaldetector, alsof je een echte diamantmijn binnengaat, zou je bij de uitgang door een röntgenapparaat moeten? “Geen rondleiding vandaag”, verontschuldigt de dame aan de receptie zich, “maar daarvoor krijgt u korting op de toegangsprijs”. Die rondleiding had ik niet eens willen hebben, ik ontdek alles liever zelf. Eerst naar buiten, waar vanaf een halve Erasmusbrug uit de hoogte in het Groot Gat kan worden neergekeken. Op een plas blauwig water in een gat dat 175 meter diep is en enige honderden meters in diameter. Het trechtervormige gat zou met een gigantische appelboor kunnen zijn gemaakt, de bovenste rand is begroeid met lage boompjes en fynbos, daarna gaat het recht naar beneden. Op de achtergrond het silhouet van de stad. Moeilijk voorstelbaar dat hier vele honderden mensen gelijktijdig aan het hakken en graven waren op zoek naar diamanten. Een lappendeken van hele kleine lapjes lijkt de kaart waarop ik de ingetekende concessies later zal zien. Zoals Californië een “gold rush” had, was in Kimberley sprake van een “diamond rush” nadat het land van de gebroeders de Beers werd verkaveld en verkocht aan ieder die de vraagprijs kon betalen. Tot aan de sluiting van de mijn zouden er ongeveer 50.000 mensen hebben gewerkt die meer dan 14 miljoen karaat, ruim 2.700 kilo, diamanten produceerden. Naast de brug, onderweg naar de mijnschacht, staan afgedankte locomotieven – van stoom tot diesel – en ander gereedschap dat hier ooit werd gebruikt. De lift naar beneden geeft je echt het idee diep een mijn in te gaan, dankzij een geluidsband en de bewegingen die het ding maakt. Ondergronds een mijngang in, oude foto’s, gereedschap, het geluid van hakkende mijnwerkers en hun geschreeuw, wagentjes die over een rails rijden. Het is fantastisch goed gesimuleerd, ik ben er van overtuigd diep onder de grond te zitten, tot aan het eind van de gang. Daar begint de grote expositiezaal die niet meer dan een meter of twintig onder het straatniveau ligt. Eindelijk zijn er echte diamanten te zien. In het midden van de ruimte staat een luxe uitgevoerde bankkluis, fluisterend zoefende automatische deuren, gewapende bewaker, niet meer dan twee bezoekers tegelijk, fotograferen streng verboden. Glimmende stenen en steentjes in allerlei maten en kleuren, deels afkomstig uit privécollecties van heren die in Kimberley fortuin hadden gemaakt en zich konden permiteren dit soort verzamelingen aan te leggen in plaats van er handel mee te drijven. Wat moet hier godvergeten veel geld zijn verdiend. Er buiten uitleg over hoe diamanten zijn ontstaan en waar op aarde de diamantgordels liggen, hoe in Kimberley van dagbouw naar ondergrondse mijnbouw werd overgestapt, hoe vermogende concessiehouders en handelaren de handen ineen sloegen en De Beers Consolidated Mines oprichten en zodoende nog rijker werden. Het eerste aandeel van De Beers. Dat de familie Rothschild het allemaal financierde, de vooraanstaande rol van Cecil Rhodes. Na dit “kijkcollege” van ruim een uur weet ik meer over diamanten, over die Groot Gat en over Kimberley als ooit te voren en ga stukken rijker weer op huis aan. Zij het dan alleen qua kennis. wordt vervolgd |