NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 62 (31122009)

Vrijdag, 20 november 2009. Niet eerder ben ik op de weg van Kaapstad naar de grens met Namibië verder gereden dan Vanrhynsdorp. Die voormalige zendingspost, zo’n beetje ieder dorp hier is het resultaat van Europese zendingsdrift, ligt zo’n beetje halverwege de grensovergang bij Vioolsdrift. Na zo’n 300 kilometer sla ik op dit punt dan linksaf naar de kust, maar veel vaker rechtsaf de Karoo in. Tussen Vanrhynsdorp en Bitterfontein ligt de met witte kwartssteentjes bezaaide Knersvlakte – de met ijzer beslagen wagenwielen van de kolonisten zouden er een knersend geluid hebben gemaakt - een onherbergzame halfwoestijn waar het gewoonweg heel erg droog is, heel erg leeg en heel erg warm. Nauwelijks boerderijen en als die er al zijn, zijn ze onzichtbaar, doch hun aanwezigheid wordt verraden door naamborden langs de weg. Geen landbouw, geen mensen, een steengroeve, af en toe wat schapen. Geen grote verrassing dus dat een pionierende oud landgenoot zijn boerderij “Moedverloor” noemde. Wat me wel verbaast is dat hij in deze streek begon te boeren. Maar misschien ontdekte hij water net toen bijna alle moed was verloren. Bitterfontein, Nuwerus, de grens met de Noord-Kaap over, Garies, Kamieskop, het dorp dat is vernoemd naar de gekke bergtop die er bovenuit torent. De Gifberg, vlak voor Vanrhynsdorp, was de laatste “rode” zandsteenberg, hier is het graniet. De toppen zijn ronder en lijken soms zelfs op van die ouderwetse ronde legerhelmen. Opnieuw biedt het ogenschijnlijk saaie “meer van hetzelfde” landschap af en toe iets nieuws, vooral kokerbomen. In zo’n korte tijd zag ik nog nooit zoveel van die wat vreemde boompjes, die als wachtposten op de heuvels staan. Onbeweeglijk één richting uitkijkend houden ze de boel in de gaten. Het noord-westen van Zuid-Afrika en net over de grens met Namibië is een paradijs waar kokerboomliefhebbers – ze bestaan echt – helemaal uit hun dak gaan. Eenderde van alle bekende soorten kokerbomen zijn er te vinden.

Springbok, het enige dorp van enige omvang in deze uitermate dun bevolkte uithoek van het land, ligt op duizend meter hoogte in de Klein Koperberge. Dankzij mijnbouw en zendingsijver werd de streek in de tweede helft van de 19e eeuw ontwikkeld. Doch, zo zal ik met eigen ogen zien, zowel het belang van de mijnbouw als van het geloof is al enige tijd op zijn retour. Op het uur dat ik arriveer, dwingt de hitte de bewoners – Springbokkers? - tot een korte siësta. Het dorp gaat voor een paar uur op slot. Ik rijd daarom eerst in de richting van de kust om even na de Spektakelpas een mogelijk alternatief hotel voor morgen te gaan bekijken. Voor het geval het Masonic Hotel, waar ik vandaag ga overnachten, niet voldoet. Doorrijden naar het kustdorp Kleinsee aan de Atlantische Oceaan heeft geen zin, het is een verboden gebied dat alleen na voorafgaande toestemming én onder begeleiding mag worden bezocht. Aan de Namibische kant van de grens heet het zelfs – je houdt het niet voor mogelijk - “Sperrgebiet”, een kuststrook van honderden kilometers die is afgesloten vanwege de diamantwinning in zee. Stel je voor dat iemand zo’n steentje op het strand zou vinden en meenemen! De Beers kon mij in Kimberley niet verbieden hun hoofdkantoor te fotograferen, maar hier dus wel om over het strand te wandelen. Een paar maanden geleden, toen ik echt even niets beters te doen had, kwam ik al zappend een documentaire over deze vorm van onderwatermijnbouw tegen. Interessant om te zien hoe de diamanten, die door de Oranjerivier de zee zijn ingespuugd, met behulp van een soort zandzuiger worden opgezogen. Duikers zijn met een enorme stofzuigerslag in de weer om de zeebodem schoon te zuigen, aan boord wordt vervolgens het kaf van het uitermate kostbare koren gescheiden. Van de van de zeebodem opgezogen diamanten is 90% van “gem” kwaliteit, de hoogste graad van zuiverheid die het meeste geld opbrengt.

Terug in Springbok eerst naar de synagoge en niet omdat het vrijdagmiddag is. Het godshuis moet in het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw de deuren voorgoed hebben gesloten, nadat de Joodse gemeenschap had opgehouden te bestaan. Hetzelfde fenomeen zag ik eerder in Oudtshoorn – dat voorheen nota bene “Klein Jeruzalem” werd genoemd - en Calvinia, waar de Joodse gemeenschappen het voor gezien hielden nadat de handel in struisvogelveren en wol sterk was teruggelopen. Ongelijk kan ik ze niet geven, want wie wil er nu in zo’n gat als Springbok wonen als het niet echt nodig is, want een gat is het. In de synagoge is tegenwoordig het Namaqualand Museum gevestigd, dat een nogal gevarieerde “collectie” heeft die elders onomwonden een “bijeengeraapt zooitje” zou worden genoemd. Wat moeten afgedankte meubels, een kar beladen met huiden, een lelijk schaalmodel van de plaatselijke klipkerk en een bekerkast in vredesnaam in dit museum dat zo mooi de historie van de oorspronkelijke bewoners, de mijnbouw of de tot nul gereduceerde – zo staat het letterlijk in een van de documenten die ik er op nasla - Joodse gemeenschap van het Richtersveld, zoals dit deel van Namaqualand heet, zou kunnen laten zien. Wat wel de moeite waard is, is het gebouw zelf. De stoere, goed gerestaureerde synagoge mag er zijn. Pasteltinten op de muren, een mooi glas in loodraam met de davidsster. Waar nu die zooi staat was vroeger beneden plaats voor 80 mannen en boven voor 40 vrouwen, getallen die ik niet echt begrijp of wordt er waar het om godsdienstoefening gaat gewoonweg meer van Joodse mannen geëist dan van Joodse vrouwen?

wordt vervolgd