|
NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 64 (08012010) Zaterdag, 21 november 2009. Menselijk vernuft uit zich vaak in onverwachte vormen, zoals midden in de leegte van het Richtersveld bij Kliphuisfontein. Aan de kop van de Anenouspas, langs de weg van Steinkopf naar de Atlantische kust, doe ik een ernstige poging om het rudimentaire vernuft wat hier nog zichtbaar is op waarde te schatten. Dat het vernuftig was, leid ik af uit de historische beschrijving van de ontwikkeling van de ver van de kust gelegen kopermijnen en met name de afvoer van de daar gewonnen erts. Dat was in het midden van de 19e eeuw een niet geringe logistieke uitdaging in een afgelegen streek met een minimale infrastructuur. Het destijds aangelegde smalspoor is inmiddels al weer verdwenen, net als de mijnbouw, van het luxe hotel dat hier stond rest slechts de fundering. Ik loop door de restanten van het toegangshek en zie een versteende weergave van de indeling van een gebouw op een bouwtekening. Het heeft iets weg van het kopen van een huis uit de put, je denkt een redelijk idee te hebben hoe het er uit gaat zien en dat valt dan soms achteraf flink tegen. De ruimtes tussen de funderingsresten zijn begroeid met kokerbomen, onkruid, fynbos en een enkele palm. Aan de rand van wat de tuin zou kunnen zijn geweest, staat de watertoren die aanvankelijk de passerende ezelkaravanen en later de stoomtreinen van vers water voorzag. Het Franse woord voor watertoren – château d’eau – vind ik zo’n functioneel bouwwerk mooi beschrijven, maar wat ik hier zie is château noch toren. Op een ongeveer tweeënhalve meter hoge, iets taps uitlopende onderbouw van stevige keien - die hier voor het oprapen lagen en liggen - rust een grote metalen watertank met wat loshangende leidingen aan de buitenkant, meer niet. Die zwaar verroeste tank staat als een ei in een eierdopje, maar gewerkt heeft het ding. Langs het hele traject stonden van deze “tankstations”, die het ertstransport aan de gang hielden. Wonderbaarlijk vernuftig allemaal, én een bijna honderdvijftig jaar oude ondersteuning van de stelling ”als er veel poen valt te verdienen, is de oplossing nabij. Bij het oprijden van de grote weg bij Steinkampf staat keurig aangegeven dat de afstand naar Kaapstad slechts 611 km is, dat red ik vandaag gemakkelijk. Nababeep en het daar gevestigde Mijnmuseum is het enige dat ik hier nog wil bekijken, verder helemaal niets. Zelfs niet het gat in de grond dat in 1682 door de VOC werd onderzocht op kopervoorkomens, waardoor het als de oudste kopermijn van Zuid-Afrika wordt beschouwd omdat de lokale bevolking er wel kleine hoeveelheden koper mijnde. Tegenover Okiep landinwaarts over wat een geasfalteerde weg zou moet zijn. Mijn inschatting is echter dat minstens de helft van het wegdek uit gaten in het asfalt bestaat, de waarschuwing “GEHOORSAAM SPOED BEPERKINGS” oftewel “houd je aan de maximum snelheid” is daardoor nogal overbodig. Hard rijden, laat staan té hard rijden, is doodgewoon onmogelijk. Bij het naderen van de bebouwde kom, bij de inrit naar de Klipdam Golf Club, een onverwacht leermoment. Wat doet die grote koperen O met een plusteken aan de onderkant hier? Een alleenvoorvrouwenclub soms? Nee dus, het symbool van de Romeinse godin Venus is eveneens het symbool voor koper, eigenlijk wel logisch in dit door de kopermijn gestichte en overheerste dorp. Weer wat geleerd. Het stille stoffige dorp ligt er nogal depri bij, de mijn – de enige lokale werkgever van betekenis - is gesloten. Niet omdat het koper is uitgeput, maar de aanleg van dieper gelegen mijngangen om het naar de oppervlakte te halen, eist een flinke investering waarvoor geen geld beschikbaar is, zo vertelt de beheerster van het Mijnmuseum. Het charmante, doch door de tijd al lang ingehaalde, museum is net als het dorp zelf behoorlijk aan het verslonzen. Best jammer. Een flinke collectie kristallen in allerlei kleuren en tot en met goud op graniet, driedimensionale modellen van de mijn, een toch wel aparte verzameling mijnlampen, foto’s van de Boerenoorlog toen Nababeep, net als Okiep en Concordia aan de frontlijn lagen. Op het buitenterrein, met de in onbruik geraakte mijn op de achtergrond, divers mijngereedschap, de historische locomotief “Clara” en wat wagons. Een plaquette licht toe: “LOKOMOTIEF CLARA – hierdie lokomotief is vanaf 1890 tot 1941 tussen Port Nolloth en O’Okiep gebruik vir die vervoer van voorrade en daarna tot 1952 vir rangeerwerk toe die treinspoor in onbruik geraak het, Clara was die eerste van sewe soortgelyke berg-tipe lokomotiewe en het die langste diens gelewer. Raad voor Nasionale Gedenkwaardighede 1980”. Deze locomotief is zowaar tot nationaal monument verheven! Weer eens wat anders of bij gebrek aan beter? Over ruim een week vlieg ik terug naar Buenos Aires, zou ik daardoor opeens genoeg hebben van het reizen en trekken door Zuid-Afrika? Dus ook geen zin in een extra nacht in het Richtersveld, gewoon plankgas en terug naar Kaapstad. Na een paar kilometer ten zuiden van Klawer de Olifantsrivier te zijn overgestoken, wordt het langzaam maar zeker weer wat groener. De halfwoestijn houdt niet echt op, maar de aanwezigheid van rivierwater in de buurt doet wonderen met het landschap. De laatste 300 kilometer naar huis gaan eerst door wijngaarden en het Citrusdal, dat niet voor niets zo heet. Na de Piekenierskloofpas tot aan Kaapstad zijn het daarna hoofdzakelijk koolzaad– en graanakkers, met voor de afwisselng zo nu en dan een kleine wijngaard. “Van alledrie heb ik er ondertussen genoeg gezien voor de rest van mijn leven”, somber ik. Oei, dit duidt beslist op een lichte vorm van “reisfatigue” luidt mijn zelfdiagnose. Het wordt de hoogste tijd om een pauze in te lassen in mijn relatie met dit toch zo mateloos boeiende land. wordt vervolgd |