NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 65 (20062011)

Zaterdag, 29 november 2009. De nieuwe vertrekhal van het vliegveld van Kaapstad ziet er fantastisch uit. Dat ik dit, na me een paar jaar door een bouwplaats te hebben moeten worstelen, op de valreep nog mag meemaken. De computers van de incheckbalie moeten wat wennen aan passagiers en werken nog niet zoals het moet, in tegenstelling tot de weegschalen. “Meneer, een blauw lichtje, uw koffer is te zwaar en kan niet worden ingecheckt”. Goede raad is vandaag echter goedkoop. Ik heb een lege rugzak bij me, haal 5 kilo papieren uit de koffer en klaar is kees. Dat ik nu met te veel en te zware handbagage het vliegtuig instap, doet verder niet ter zake. Dankzij de wolkenloze hemel kan ik tijdens het opstijgen neerkijken op de stad die me de afgelopen jaren volop de gelegenheid heeft geboden een stukje koloniale geschiedenis en de nogal kwalijke gevolgen daarvan van nabij te ervaren. Aan de ene kant de zo herkenbare stijfkoppige en rechtlijnige Boeren, wiens nazaten de apartheid bedachten en tot in de puntjes perfectioneerden. Aan de andere kant de erfgenamen van onder andere de slinkse Cecil Rhodes en Lord Baden-Powell, de mede-uitvinder van het concentratiekamp en met de Hitlerjugend sympathiserende oprichter van de padvindersbeweging. Beide kanten toonden geen enkel respect voor de autochtone bevolking. Beide kanten werden bewonderd door hun aanhangers en vervloekt door hun tegenstanders. Beide kanten gedroegen zich even abject. Oorlog voeren over de controle van minerale grondstoffen: het goud van Johannesburg, de diamanten van Kimberley, het koper van het Richtersveld. Er is de afgelopen ruim 100 jaar eigenlijk weinig veranderd.

Vreemdelingenhaat steekt de kop weer eens op, immigranten uit buurlanden worden opgejaagd of vermoord onder het mom van: “ze stelen ons werk en onze vrouwen”. Ik ontsnap op het nippertje. Toevallig of niet troffen een aardige mevrouw en ik elkaar de afgelopen drie weken soms meerdere keren per dag in de lift van het gebouw waar we beiden wonen, als je dat wilt, schept zoiets een leuke band. Als ik haar een jaar eerder was tegengekomen, was het vast wat geworden. Zo’n vliegreis van acht uur over de oceaan is een bijna perfecte manier om dit soort dingen van je af te zetten of te vergeten. Daardoor kan ik na de landing in Buenos Aires gewoon weer overschakelen naar het Spaans en een ander leven. Het regent bakken uit de hemel, desondanks voel ik me gelijk weer thuis.

Afrikaanderwijk, juni 2011. Voor het échte afscheid van Zuid-Afrika ga ik anderhalf jaar later een nacht in de rond de vorige eeuwwisseling gebouwde Rotterdamse Afrikaanderwijk logeren. Destijds een eerbewijs vanjewelste aan de helden van de Tweede Boerenoorlog (1899 – 1902), onze taalverwanten die de Engelsen met eenvoudige middelen jaren weerstonden, hun namen leven voort in deze buurt. Ik betwijfel of de huidige bewoners - hoofdzakelijk nieuwe Nederlanders - weten wie Paul Kruger was, of Piet Joubert, Christiaan de Wet, Martinus Steyn of Koos de la Rey. Of Bloemfontein, Transvaal of Pretoria. Allemaal namen die voor mij geen geheimen hebben. In mijn tienerjaren fietste ik onderweg naar mijn school in Kralingen tweemaal daags langs deze wijk. In de tijd dat de Maashaven een echte drukke haven vol met schepen was en het lelijke metroviaduct nog moest worden gebouwd. Aan de kop van de Pretorialaan was de radio en televisiewinkel van van de Klooster gevestigd, op wiens mooie dochter ik in de laatste klas van de lagere school heimelijk verliefd was vanwege haar sexy hese stem. Iets dat ik me spontaan herinner in “de Woonkamer”, het hoofdkwartier van het “Kus en Sloop” project waar de sleutel moet worden afgehaald voor het appartement waar ik vanavond ga slapen met een gezelschapsdame zonder sexy hese stem. De winkel is al lang verdwenen, aan de gevel hangt echter nog altijd een lichtbak met het beeldmerk van Philips.

Beeldend kunstenaars hebben aan de Pretorialaan een vijftal binnenkort te renoveren appartementen ingericht, die als “kus en sloopwoning” voor één of meerdere nachten kunnen worden gehuurd. Zonder aarzelen kies ik die met het van pizzadozen gemaakte bed om hernieuwd kennis te maken met deze buurt. Het stratenplan en de straatnamen zijn hetzelfde, de wijk nauwelijks. De noeste Rotterdamse arbeiders van weleer zijn verdwenen, het is een immigrantenbuurt geworden. In veel straten hebben huizen uit het begin van de vorige eeuw plaats moeten maken voor karakterloze nieuwbouw, zo te zien zijn huizen uit de eerste renovatigolf in andere straten door de bewoners die er daarna introkken slooprijp gemaakt. Er is aardig wat foeilelijke renovatie uit de jaren 90 van de vorige eeuw, toen schuine pannendaken het moesten afleggen tegen een kunststoffen kubus om extra bewoonbare vierkante meters te creëren. In de van Oldenbarneveldt HBS aan het Afrikaanderplein – ontworpen door de architect die het oorspronkelijke museumgebouw van Boijmans van Beuningen ontwierp – is nu een moskee gevestigd. Op een enkele gevel is een ode aan de Boerenpresidenten en generaals gelukkig bewaard gebleven, eerbewijzen die me nooit eerder opvielen. De eerste, langs de Paul Krugerstraat op de hoek met de Bloemfonteinstraat, hoog op de gevel van Café Bloemfontein ontdek ik vanaf het terras van restaurant Meram. “HONOR CU? HONOR – ere wie ere toekomt” staat er onder de bustes van een vijftal stoer kijkende mannen. De middelste is zo te zien “Oom” Paul Kruger, en ik meen Steyn en Botha te herkennen aan de hand van de afbeeldingen in het bijna 110 jaar oude boek “Verdedigers en Verdrukkers der Afrikaansche vrijheid” van L. Penning dat ik voor de gelegenheid heb meegenomen. In Meram eet ik voor het eerst van mijn leven in Nederland in een Turks restaurant. De sfeer is zeer ontspannen, wat gelijk opvalt is dat de aanwezige jonge nieuwe landgenoten Nederlands met elkaar spreken en dat het een alcoholvrije avond gaat worden. In deze door velen als “levensgevaarlijk” beschouwde wijk is het zonder meer goed toeven. Geen gezeik, de waterpijp gaat rond, de bediening is stukken attenter dan in het gemiddelde door landgenoten gedreven restaurant, het eten is smakelijk, alcoholische versnaperingen worden niet eens gemist. Vaak gehoorde vooroordelen worden hier in een paar uur tijd voorgoed naar de prullenbak verwezen!

Na het diner is het tijd om naar de door het kunstenaarscollectief Pal Maas ingerichte woning te gaan. Een steil opgaande trap naar de eerste verdieping van een huis dat in Rotterdam vroeger zo mooi “twee op één trap” heette, huizen met een gedeelde voordeur waarin twee gezinnen woonden. Ieder had een eigen woonetage en een gedeelde derde slaapetage. De woon/slaapkamer van “onze” verdieping heeft een ruwhouten vloer en vier opvallende elementen: een muurschildering, een geïmproviseerd wandmeubel, een stelling van steigerpijpen waaraan de gordijnen zijn bevestigd en het pizzadozenbed. De muurschildering lijkt op het eerste gezicht een abstract werkstuk, waarvan ik bij het wakker worden, als de ochtendzon er op schijnt, zeker weet dat het een gestileerde plattegrond van de Afrikaanderwijk is. Het van plankenresten gemaakte wandmeubel is gevuld met door buurtbewonders geschonken afdankertjes en gevonden voorwerpen: een duidelijk bij Ikea gekochte schemerlamp en twee absoluut niet bij Ikea gekochte, borden, kopjes en schoteltjes, fotolijstjes, een wekker, een klok. Het mooiste vind ik de drie oude boeken – een Italiaansch en een Duitsch Woordenboek en een boek getiteld “South and East Afrika – 1922” dat in deze buurt echt op zijn plaats is. Alledrie gevonden en geschonken door Daphne Heemskerk: “Ik heb deze boeken in mijn straat gevonden. Ik denk dat ze van één van mijn buren zijn maar ik zou niet weten wie. Maar ik ben er wel erg blij mee. De boeken fascineren me omdat ze zo oud zijn en een mooie oude typografie hebben. Maar ook het papier dat zo’n heerlijke sterke geur heeft”. Ieder object in de kamer heeft een eigen verhaal dat net zoals dat van Daphne is opgetekend in de catalogus die op de eettafel ligt. De gekke aan steigerpijpen hangende gordijnen kunnen met een koord vanuit bed worden geopend en gesloten. Het middelste vormt in half opgetrokken toestand met de kleine voor het raam staande tafel een perfecte imitatie van een marktstal, hetgeen mooi aansluit op de markt die twee keer per week in de laan voor het huis wordt gehouden. Om het geheel een huiselijk tintje te geven staat ernaast een hondenmand met waterbak. Maar het pizzadozenbed, daar gaat het vanavond om. De slim geconstrueerde en onverwacht solide onderbouw voor de matras bestaat uit vierkantjes van op hun zijkant staande kartonnen dozen met het patroon van een langwerpige sudoku. In twee van de dozen aan het hoofdeinde zit een klein tlbuisje dat als leeslampje dient, klep omhoog en er kan worden gelezen voor het slapen gaan. Toegegeven, af en toe hoor je het geluid van een stuk karton dat lijkt te bezwijken onder het gewicht, doch dat gebeurt niet. En met de comfortabele matras op die dozen slaap je ook nog eens lekker. Een heel aparte ontdekking.

We worden na een lawaailoze nacht – het is zeer rustig in deze voorheen zo roerige wijk - gewekt door de opbouw van de stalletjes door de vroeg beginnende marktkooplieden. Een Marokkaans ontbijt met vers brood en een pannekoek van bakker Fes, die is gevestigd in de winkel waar vroeger een filiaal was van bakkerij van der Meer en Schoep. Het in de buurt gelegen depot, van waaruit de broodbezorgers met bakkerswagens of ijzeren honden “hun broodwijk” bedienden, is verdwenen. Eerst te voet de driehoekige buitengrens van de wijk verkennen: Maashaven, Hilledijk, Putselaan, als je stevig doorstapt is het voorbij voordat je het in de gaten hebt. Op de hoek van de Joubertstraat “het Kasteel”, een gebouw met Duitse trekjes waar lang geleden havenbedrijf Thomsen kantoor hield en een pakhuis had. Wat verderop, in een hoge gevellijst op de hoek van de Hilledijk en de Martinus Steijnstraat een ietwat verwaterd eerbewijs aan Martinus Steyn. De lijst heeft als kroon een miniborstbeeld van de laatste President van de Oranje Vrijstaat en aan de onderkant een tekst die is gevangen tussen de koppen van Joseph Chamberlain – Brits Minister van Kolonieën - en Cecil Rhodes – Eerste Minister van de Kaapkolonie - : “Wy Rhodes Chamberlain! dragen nu de last van Steyn”. Wat dat precies betekent heb ik tot mijn spijt niet kunnen achterhalen. Weer wat verder, boven de voordeuren van een tot op heden niet door de renovatiewoede aangetast huis, de hoofden van een jonge Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik. Kleine juweeltjes zijn het. Diezelfde Hilledijk, waar in mijn herinnering vrachttreinen reden, vormt een zichtbare grens tussen de Afrikaanderwijk en de aan de andere kant gelegen Kop van Zuid waar kantoortorens en luxe nieuwbouwappartementen de norm zijn. Door de (Maas en Rijn-) haven, de (Breede Hille-) dijk en de dubbele trambaan van de Putselaan is de buurt een virtuele enclave binnen de Rotterdamse stadsgrenzen. Zoiets als Lesotho in Zuid-Afrika.

Straten met typisch Rotterdamse gebodsborden: “Verboden auto’s te koop aan te bieden“ en met huisregels: “BEWONERS VAN DE JOUBERTSTRAAT – Wij groeten elkaar, verwelkomen nieuwe buren, en organiseren twee keer per jaar een activiteit. Vuil gaat in de container en niet ernaast. Spelen in de straat is leuk, maar na 21.00 uur doen we dat rustig. Enz.” Aan het eind van de wandeling de meest vervreemdende straten. De achterkant van de flat aan de Kaapstraat waar de toegepaste panelen een compositie in de geest van Mondriaan vormen, op alle verdiepingen opgeleukt met satellietschotels, fietsen en drogend wasgoed. Ga je midden op de weg van de Goede Hoopstraat staan, dan zie je vlakbij de behoorlijk contrasterende woontorens van de Wilhelminapier. Tegen alle voorspellingen in, zijn onze fietsen vannacht niet gejat en kunnen we terug naar huis zoals we zijn gekomen. Het ergste van alles is dat in plaats van Zuid-Afrika hier achter me te laten, wat de bedoeling was, ik juist enorm veel zin heb gekregen om er over niet al te lange tijd maar weer eens naar toe te gaan.

slot