|
BUENOS AIRES - VALPARAISO EN TERUG - 3 (28032011) Woensdag, 16 maart 2011. Officieel heet de weg die we volgen heel fantasieloos “Ruta Provincial 52”, ooit de enige verbingsweg tussen Argentinië en Chili. Aan die weg liggen het natuurreservaat Villavicencio en ietsje hogerop het al meer dan 30 jaar leegstaande Hotel Villavicencio. Allemaal vernoemd naar de uit Tenerife afkomstige Capitán Joseph de Villavicencio, die in 1704 eigenaar werd van flinke lappen grond in deze streek, inclusief de hooggelegen mijnen van Paramillos. Na de oprit van het hotel begint een stuk weg van 17 kilometer dat twee bijnamen heeft “Camino de Caracoles” en “la Ruta de un Año”. Het is een mooie weg qua vergezichten en natuurschoon en tegelijkertijd een slechte weg, vooral daar waar het wegdek uit “ripio” bestaat, losse steenslag. En dan zijn er die 365 bochten. Hoewel een auto daar natuurlijk geen 365 dagen oftewel een jaar over doet of deed, is de weg wel net een “escalera de caracol”, een wenteltrap, waar het verkeer met een slakkengang tegenop kruipt. Caracol is het Spaanse woord voor slak. Toen het gemotoriseerde verkeer tijdens de vorige eeuw eenmaal goed op gang kwam, werd hier deeltijd eenrichtingsverkeer ingesteld: een dagdeel vanuit Chili naar Argentinië, het andere dagdeel andersom. Nadat in 1961 de zuidelijker gelegen nieuwe weg in gebruik werd genomen, is de “Camino de Caracoles” een rustige toeristische route geworden waar iedereen er juist de voorkeur aangeeft om met een slakkengang te rijden. Driehonderd jaar na Joseph de Villavicencio is de grootgrondbezitter hier Frans en heet Danone, dankzij de inlijving door deze watergigant – Evian! - van de mineraalwaterfabriek “Villavicencio”. Het beeldmerk, een artist’s impression van het hotel met op de achtergrond de besneeuwde Andes, is alom aanwezig. ’t Is net of je door een enorme reclamefilm rijdt. Hoewel het hotel beslist mooi is gelegen, heeft de tekenaar – of fotoshopper – ingegrepen in het landschap door de bergketen naar de achterkant van het hotel te verplaatsen. Terwijl “in het echt” de met sneeuw bedekte bergtoppen alleen maar vanaf het terras aan de voorkant zijn te bewonderen, een beeld dat ons wordt onthouden door de onverwacht zakkende bewolking. Dat is al de tweede teleurstelling vanmorgen, het eerdere bezoek aan het natuurreservaat viel ook allesbehalve mee. Een lullig bezoekerscentrum, een partytent waarin met 19 cartoons de culturele diversiteit van Mendoza moet worden bewezen – als je een blanke huid hebt, zit je gebeiteld – en wat lokale fauna in een rotstuintje. Tenslotte het sinds 1978 gesloten hotel als laatste hoop. Het was een kuuroord dankzij de bronnen met vermeend geneeskrachtig water, ver van de bewoonde wereld feeëriek gelegen op 1.800 meter meter boven de zeespiegel. Er duiken regelmatig geruchten op over een heropening, tot en met het bouwen van een totaal uit de toon vallende oerlelijke moderne woontoren op het parkeerterrein. Het moet allemaal in 2013 gaan gebeuren, daarna kom ik hier nooit meer. Het Historisch Museum van Mendoza is tijdens de siësta gesloten en gaat daarna niet meer open. Kennelijk de moeite niet om na een maaltijd en een tukje weer aan het werk te gaan. Aldus eindigen we noodgedwongen op de patio van het belendende perceel, op de patio van “El 23 Gran Bar” waar mijn gezelschapsdame een fles champagne laat aanrukken om op mijn verjaardag te toasten. Geen zware late lunch, maar niet te versmaden tapa’s. Een verassende plek met onverschillige bediening en een heuse jeu-de-boules baan, in het Spaans, zo leer ik, heet het “juego de bochas”. De spelregels hangen in het Spaans naast de baan én in verschrikkelijk Engels, zoals alle vertalingen die we hier tot nu toe hebben gezien rampzalig slecht zijn. Mijn handen jeuken. Naast het voortreffelijke eten en drinken, dragen de teksten op de placemats bij tot het aangenaam verblijf, zelfs als je de taal niet spreekt: “El vino consuela a los tristes, rejuvenece a los viejos, inspira a los jóvenes y alivia a los deprimidos del peso de sus preocupaciones”. Eindelijk kan ik op een poëtische manier rechtvaardigen waarom wijn drinken medisch verantwoord is. ’t Is immers stukken aangenamer dan een medicijnloze psychotherapeutische behandeling en geeft vrijwel zeker betere resultaten! In het hotel is zowaar een vaag antwoord gearriveerd uit de Valle de Uco over de “paquete especial” voor morgen. Zo vaag, dat ik voor de zekerheid Pilar nog maar eens bel, ze verzekert me dat alles piekfijn is geregeld. Donderdag, 17 maart 2011. Stipt om half 10 worden we bij het hotel door een chauffeur opgewacht en rijden even later Mendoza uit in zuidelijke richting, richting Tupungato, richting Salentein Killka. Over de bijna mythische Ruta 40 nog wel, de bijna vijfduizend kilometer lange weg van la Quiaca aan de grens met Bolivia naar Río Gallegos op de grens met Vuurland. De weg loopt aan de voet van de Andes door bijna heel Argentinië, van de subtropen in het noorden naar het bijna Zuidpoolklimaat in het zuiden. De Ruta 40 staat al vele jaren op mijn verlanglijstje van nog te maken reizen. Vandaag slechts een klein stukje. Rechts de Andes, waarvan verschillende toppen zijn bedekt met “eeuwige” sneeuw, er moeten daar ergens wat verborgen gletschers zijn. Bij het inrijden van de Ucovallei is een soort “grenscontrole” die moet voorkomen dat reizigers fruit of andere voor de wijnbouw mogelijk besmettelijke etenswaren de vallei in brengen. Alsof je de grens met Chili oversteekt of in de Verenigde Staten arriveert. De dorpen zien er welvarend uit. “Wie wil werken, heeft werk” doceert Lalo, onze chauffeur, en, “In dit dorp woont de grootste Boliviaanse gemeenschap van Argentinië”. Gastarbeiders die nooit meer teruggaan naar hun land van herkomst. Ook hier dus. wordt vervolgd |