BUENOS AIRES - VALPARAISO EN TERUG - 7 (15042011)

Zaterdag, 19 maart 2011. Tegen Valparaíso moet je opkijken, of je het wilt of niet. De reden daarvoor is eenvoudig: het overgrote deel van de huizen is tegen de hoge en meestal behoorlijk steil oplopende cerros – de heuvels - gebouwd. Het zijn er 42, ’t is net een gestapelde stad. Sommigen vinden dat het op een amfitheater lijkt waar men zich door klimmende straten, trappen en funiculaires, de laatste twee uitsluitend bestemd voor voetgangers, verplaatst. Van die kabelspoortjes, zoals funiculaires in het Nederlands schijnen te heten, zijn er zat. Vooral als je naar boven moet zijn die acensores of liften, zoals ze hier worden genoemd, verdomd gemakkelijk. In het hotel waar wij logeren ligt de entree op de begane grond, de kamers bevinden zich echter op drie lager gelegen verdiepingen en zijn als het ware tegen de rotswand aangeplakt. Het hotel is gevestigd in een voormalig patriciërshuis op de Cerro Concepción, de oude Engelse wijk. Zoals in veel Zuid-Amerikaanse landen deden de Engelsen de havens, de spoorwegen, de banken en verzekeringen. Overal zichtbaar zijn de retentiemuren en de zware steunbalken van beton of ijzer die de huizen en tuinen voor instorten of afglijden behoeden. Nadat de UNESCO Valparaíso in 2003 tot werelderfgoed verhief, gaat het weer bergopwaarts met vervallen oude wijken. De laatste keer dat ik hier was, was het best een zooitje en veel buurten kon je maar beter mijden. Sindsdien is het zo’n beetje gegaan als met Pelourinho in Salvador de Bahia, waar de subsidies om de zaak op te knappen goed los kwamen nadat het op veel plaatsen op instorten staande stadsdeel tot werelderfgoed was verklaard.

Wij wandelen en klimmen over de Cerro Concepción en de Cerro Alegre tot het hoogste punt, tot aan aan de kerk van San Luis. Binnen zitten mensen ontspannen en niet al te droevig rond de kist van een zojuist overleden familielid. Bloemen en kransen, geen tranen. We trekken ons piëteitsvol terug net als de volgende krans wordt binnen gedragen. In de straat om de hoek wordt een blinde muur door drie artiesten beschilderd. Belangenloze stadsverfraaing die soms de moeite waard is en soms afzichtelijk, maar bij de cerros hoort. Dat dit niet door alle “porteños”, zoals de inwoners van zowel Buenos Aires als Valparaíso worden genoemd, wordt gewaardeerd maak ik op uit het neerbuigende kliedercommentaar dat ik in het voorbijgaan oppik. Wat Buenos Aires en Valparaiso verder gemeen hebben, zijn de met golfplaten beklede huizen in de oude havenwijken. Die van hier zijn echter bij lange na niet zo fleurig beschilderd als die van La Boca, hoewel een verroest huis er in het juiste zonlicht zeker mee doorkan. Ja, er zelfs mooi kan uitzien. De contrasten zijn soms groot. Straten met herenhuizen in perfecte staat, straten die bestaan uit opgeknapte huizen en huizen die nog maar een duwtje nodig hebben om in elkaar te zakken, kleine restaurants en grote, peperdure en betaalbare hotels, vooral vaak te gek voor woorden raampartijen, van prachtige art deco paleizen tot eenvoudige functionele woonhuizen, muurschilderingen in alle maten en soorten, de onvermijdelijke grafitti. Op zoek naar een glas tapbier dalen we af naar de niet al te brede strook land tussen de voet van de heuvels en de haven en ontdekken wat de Chileense porteños op zaterdagmiddag eten: chorrillana. Een schotel met een cholesterolgehalte die het lichaam een stevige duw richting hartaanval moet geven: een lading friet met daarop schijfjes gebraden worst, ui, reepjes vlees, bekroond met gebakken eieren. Deze vette hap wordt geserveerd in porties voor twee personen die, zo vermoed ik, in teamverband aan hun lichamelijk verval werken. Na dat benedenstadse gedoe gaan wij met de uit 1883 daterende Ascensor Concepción, het oudste kabelspoor van de stad, terug naar het hotel. In klimmen hebben we geen zin meer, onze kuiten protesteren voelbaar. Die vierkante cabines hebben voor mij iets heel aparts, niet in de laatste plaats door die ene scène uit de film “Diarios de Motocicleta” die ik me levendig voor de geest staat. De film over de grote trek van de jonge Che Guevara door Latijns-Amerika waarbij hij en zijn recent overleden reisgenoot Alberto Granado Valparaiso aandeden. Veel spannender en authentieker dan de funiculaires van Lissabon en die hele moderne bij de Sacre Coeur in Parijs. En niet te vergeten vanwege het mooiere uitzicht.

’s Avonds eten we bij een oud-collega die sinds een paar jaar een hoge functie heeft bij Centrale Bank. Zo hoog zelfs, dat zijn handtekening op alle Chileense bankbiljetten staat. Hij en zijn vrouw zijn echter nog net zo aardig en gastvrij als voorheen. Een tafelgesprek in Viña del Mar, aan de rijke kant van de baai, gaat over aardbevingen en tsunami’s. Erg begrijpelijk een week na de grote aardbeving en tsunami in Japan, maar geen onderwerp dat in veel landen zo leeft als hier. Zij zijn dan ook ervaringsdeskundigen. Als we bij hun appartement arriveren, stelt hij ons “gerust” met de mededeling dat de etage waar zij wonen ruim boven het vloedgolfniveau ligt. En heel vervreemdend zijn vervolgens de verhalen wat er gebeurde tijdens en na de zware aarbeving van een jaar geleden waardoor nauwelijks gebouwen zijn ingestort of er schade in huis was. Een wand moest opnieuw worden behangen en er waren bordjes van de keukenmuur gevallen en gebroken. “Mijn eigen schuld, had ik ze maar bevingsvast moeten opgehangen”.

wordt vervolgd