|
BUENOS AIRES - VALPARAISO EN TERUG - 9 (25042011) Maandag, 21 maart 2011. Na twee dagen Neruda is het vandaag voor de verandering de beurt aan Isabel Allende, mijn favouriete Chileense schrijfster, die overigens al heel lang niet meer in Chili woont. Iets dat met haar achternaam heeft te maken. Alweer betreft het een fraai gelegen huis op een mooie plek, echter geen woonhuis maar een godshuis. De inleidende hoofdstukken van haar roman “Fortuna’s dochter” spelen zich af in de eerste helft van de 19e eeuw op de Cerro Alegre van Valparaiso. Op een avond in 1848 heeft Eliza Sommers, de hoofdpersoon, daar in de schaduw van de Capilla de la Virgin del Perpetuo Socorro een geheime ontmoeting met haar aanstaande minnaar. Op zaterdagochtend had de taxichauffeur ons verzekerd dat het kapelletje nog steeds bestaat, maar op zaterdagavond vertelden mijn vrienden dat de Capilla is gepromoveerd tot een “Iglesia” die hoog op de Cerro Cordillera staat. Zelf zouden zij die heuvel slechts in geval van uiterste nood betreden, als het echt niet anders zou kunnen. Zulke uitspraken moedigen eerder aan dan dat ze afschrikken, wat kan er nu misgaan op klaarlichte dag? Vanaf het hotelterras is wel het rode gebouw van Museo Lord Cochrane aan de voet van de heuvel te zien, de kerk echter niet. De voor de hand liggende route, afdalen met de ascensor om vervolgens naar de voet van de Cerro Cordillera te wandelen en daar naar boven te klimmen, is nauwelijks een uitdaging. De cerros, de heuvels, van Valpo, zoals de stad in de volksmond heet, hebben naast de ascensores ook heel wat escaleras – steile betonnen kruipdoor sluipdoor trappen – een omweg die veel leuker is om te nemen. Pasajes heten die dingen. Vanaf de ene kant van de Cerro Concepción via de Pasaje Fischer de trap af naar beneden, straat oversteken en de trap weer op aan de andere kant tot aan het plein voor het Palacio Baburizza op de Cerro Alegre, om het paleis heen lopen en na het station van de funiculaire El Peral via de trap weer naar beneden. Plaza Justicia, de Serranostraat, rechtsaf in de Clavestraat weer naar boven. Dat is de straat die de grens vormt tussen de Cerro Codillera en de Cerro Santo Domingo. We willen de tweede trap links naar boven nemen, maar vragen voor de zekerheid even de weg naar de Capilla. Gelukkig maar, want we hadden de eerste afslag moeten nemen. Steile wand klimmen is het bijna en, zoals gisteren gebeurde op de Cerro Bellavista, waarschuwingen om toch vooral niet verder te gaan. Terwijl mijn gezelschapsdame stoer doorklimt, word ik onder handen genomen. “Spreekt u Spaans?”, waarop een vurig pleidooi volgt om vooral onmiddellijk rechtsomkeert te maken. Mijn luchthartige reactie valt niet goed, “Ik sta hier nota bene in mijn pijama, ik zag jullie voorbij komen en ben gelijk naar buiten gerend om te waarschuwen!”. Een andere buurtbewoonster bemoeit zicht ermee, de kerk is nog maar 400 meter verder naar boven en die kwajongens van de “slechte wijk” aan de linkerkant zitten nu op school. Met andere woorden “niets aan de hand”. Bij het witte huis “het mooiste huis van de hele buurt” – moeten jullie rechtsaf het bruggetje over en dan zie je de kerk. De vrouw in de toch wel wat truttige pijama trekt zich mokkend terug, wij klimmen stug verder. Als ze nu eens een sexy doorschijnend neglicé en verder niets had aangehad, was de kans dat ik haar advies had opgevolgd vele malen groter geweest. Denk ik. Het “witte huis” is niet te missen, het is het allerlelijkste – het enige enigszins moderne - huis dat totaal misstaat in deze buurt, de kerk valt ook behoorlijk tegen. Het is uiteraard een gebouw dat hoog boven de wijk uittorent, het ziet er zeer gesloten uit, ja het straalt zelfs iets van “blijf hier maar liever weg” uit. Nee dit is absoluut niet het romatische kapelletje uit het boek, hetgeen ook haast niet anders kan, in 1906 werd Valparaiso immers getroffen door een alles verwoestende aardbeving. Een paar vrouwen zijn onkruid aan het wieden en de straat aan het boenen. Ze bevestigen dat dit de Iglesia de la Virgen del Perpetuo Socorro is en vragen of we de kerk willen bekijken. Natuurlijk! De kosteres opent een zijdeur, daarna nog een binnendeur en ontsluit een interieur dat verassend anders is dan het saaie exterieur. Allereerst een prachtige tegelvloer, daarna mooie altaren, een serene sfeer, de staties van de kruisweg, Jezus aan het kruis, het laatste avondmaal en vanzelfsprekend een ereplaats voor Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand. Er hangt een slim in het vat gegoten verzoek om de mobiele telefoon uit te zetten: “Jezus heeft geen technologie nodig om met je te spreken. Schakel het uit”. Op veel van de altaren zijn kleine bordjes bevestigd met dankbetuigingen voor de ontvangen zegeningen of verhoorde smeekbeden. Net zoals de hoofdpersonen van Isabel Allende, wil ik op deze plek even zoenen met mijn ontdoopte katholieke gezelschapsdame. Haar roomse reflexen blijken, ondanks de bewuste afstand die zij dacht te hebben genomen, zowaar nog springlevend. Een plagerige poging tot tongen voor het altaar van de Heilige Maagd? Nee, dat gaat echt veel te ver. Een gestolen kus op de mond met de maagdelijke schuchterheid van een eerste zoen, net zoals beschreven in het boek, met ook nog eens duidelijk voelbare weerstand, daar ligt vandaag echt de grens. Ik heb verschrikkelijke binnenpret en plaag haar er de rest van de dag mee. Eigen schuld. wordt vervolgd |