BUENOS AIRES - VALPARAISO EN TERUG - 10 (30042011)

Maandag, 21 maart 2011. De wandeling terug naar de voet van de Cerro Cordillera verloopt net zo rustig als de klim naar boven. Al dat semi bezorgde gedoe over “gevaarlijk”, hoewel goed bedoeld, begint toch wel een beetje de keel uit te hangen. We belanden uiteindelijk vlakbij ons hotel in het opgetrokkenneusrestaurant Café Turri, een mooi paleisachtig huis met een prachtig uitzicht over de haven en de baai. Bij de gratie Gods mogen we zowaar een kop koffie drinken, want eigenlijk is het al lunchtijd. De naam van het huis doet vermoeden dat er een familie Turri moet hebben gewoond die, het straalt er nu nog van af, goed geboerd had. De ascensor Concepción naast hun voordeur heet in de volksmond “ascensor Turri” en de torenklok van het gebouw aan de voet van het kabelbaantje heet “Reloj Turri”. De tijd die je echter nodig hebt om van Café Turri met de ascensor Turri naar het Reloj Turri te gaan, is korter dan die je nodig hebt om uit te vinden wie die Turri dan wel was. Een bekende notaris lees ik, maar ergens anders is hij de eigenaar van een geldwisselkantoor met hoofdkantoor in Santiago dat daar is gevestigd in een vroege wolkenkrabber die, het verrast nauwelijks, nog steeds “Edificios Turri” heet.

Bij aankomst in Valparaíso zagen we vanuit de bus op een verlaten industrieterrein zeven vrolijk gekleurde kleine auto’s die waren opgehangen met opzichtig grote knijpers en als het ware aan een waslijn hingen te drogen. Vast en zeker een kunstwerk. We willen het van dichtbij bekijken, maar waar is het precies? In ieder geval vlakbij de oceaan in de richting van Viña, ergo gewoon net zo lang die kant uit lopen totdat we die drooglijn tegenkomen. Als het eindelijk zover is, ligt er een leeg geasfalteerd terrein met een hoge omheining en een bewaker tussen ons en de auto’s. Nee, we mogen echt niet even naar binnen om wat foto’s van de auto’s te maken, maar krijgen wel aanwijzigingen hoe we misschien aan de andere kant dichterbij kunnen komen. Dat wil zeggen, nog eens ruim een kilometer verder lopen en daaarna terug richting Valparaíso over het wandelpad langs de oceaan. Het complex ziet er aan de zeekant zeer gesloten uit, de solide bouw van lang geleden, alle ramen dicht gemetseld, dit was voorheen het Estación Barón, de terminal van de spoorweg van Santiago naar Valparaiso. De onderhoudswerkplaatsen van het spoor waren in de gebouwen gevestigd, in de open lucht moet een “tornamesa” liggen. Een draaischijf boven een kuil met een stuk rails in het midden waarop een locomotief kon worden gereden zodat de monteurs er naar hartelust aan konden sleutelen. Een enorme smeerput. Ongeveer erboven hangen de auto’s te drogen. “Auto iris” heet de installatie, een variatie op “arco iris”, regenboog. Dankzij wat gaten in een hedendaagse fabriekspoort krijgen we met wat moeite vijf auto’s van afstand in beeld, dichtbij komen of aanraken is er niet bij, alles zit stevig op slot, er is zelfs geen hond te bekennen. In het water aan de andere kant is een nutteloos geworden betonnen structuur overgenomen door zeeleeuwen, zonder er erg in te hebben, heeft Valparaíso van de natuur zomaar een eigen Robbeneiland gekregen.

Dinsdag, 22 maart 2011. In het pikkedonker worden we ‘s ochtends om 5 uur opgehaald om naar het vliegveld van Santiago te gaan. Heen met de bus is tot daar aan toe, terug willen we wat comfortabeler en vlugger reizen en uiteraard wil mijn reisgenote de Andes ook wel eens vanuit de lucht zien. Gisteravond via het internet ingecheckt en voor alletwee een stoel bij het raam gereserveerd. Handig zo’n zelf afgedrukte instapkaart, behalve als de vlucht minder dan 12 uur later opeens geannuleerd blijkt te zijn. De informatieachterstand die een mens kan oplopen door interessante dingen te doen en niet regelmatig naar de televisie te kijken, wordt hier ongevraagd aangetoond. Met het prettige gevoel dat de vorige week in Buenos Aires aangekondigde algemene staking was afgeblazen, hadden we gemist dat het Argentijnse luchtruim gisteren de hele dag was gesloten omdat het backupsysteem van de luchtverkeersleiders niet goed fuctioneerde. In veel landen maakt zoiets weinig uit, als het primaire systeem maar werkt en daar knelde de schoen. In Argentinië was het hoofdsysteem er al lang geleden mee opgehouden en was het backupsysteem het enige dat functioneerde. Tot gisteren dus. Het ongemak valt mee, alleen het vluchtnummer is veranderd.

Het vliegveld ligt aan de voet van de Andes, opstijgen doe je hier in de richting van de Stille Oceaan met gelijk een scherpe bocht naar links, parallel aan de hoge bergketen vliegen, over de enorme krater waarin Satiago ligt, zo snel als het kan zoveel mogelijk hoogte winnen om vervolgens bij de eerste de beste ruimte tussen twee bergtoppen opnieuw een bocht naar links maken om net boven de bergrug zwevend het Argentijnse luchtruim binnen te vliegen. Zoals altijd en in ieder seizoen is het gezicht op de bovenkant van de Andes spectaculair: de besneeuwde Aconcagua steekt hautain boven alles uit, uitgedoofde vulkaankraters, de op gekartelde messen lijkende bovenkanten van puntige bergrichels. Een mooi, maar onherbergzaam en onbegaanbaar maanlandschap schiet onder ons door en verandert al snel in de kale laagvlakte die doorloopt tot aan de Atlantische Oceaan. Minder dan vier uur na het opstijgen zijn we weer thuis in het hartje van Buenos Aires. Het verkeer is chaotisch, er wordt gestaakt, er wordt gedemonstreerd. Gelukkig is alles nog precies zo als het was.

slot