SAN ANTONIO DE ARECO (21052011)

San Antonio de Areco moet zoiets zijn als de Argentijnse versie van “eerst Napels zien en dan sterven”. Niet dat het aan een strak blauwe zee ligt of in de schaduw van een vulkaan of, zoals tegenwoordig het geval schijnt te zijn, de straten zijn vergeven van het huisvuil. Nee, San Antonio is een keurig Argentijns pampastadje op 120 kilometer van Buenos Aires, waar de authentieke Gauchosfeer volop te proeven zou zijn. De romantiek van het leven van vroeger, waarin Gauchos en estancias, Argentijnse cowboys en grote veeboerderijen, de hoofdrol spelen. Om voor eens en voor altijd een einde te maken aan de twijfel die alle verhalen oproepen, moet je het vroeger of later zelf bezoeken. Want ik ken het stadje slechts door een grote reclame die tot voor kort op de buitenmuur van een gebouw bij mij in de buurt was geschilderd, waarmee een restaurant mensen wilde opwekken om 120 kilometer heen en 120 kilometer terug te rijden om er te gaan eten. Daar moet wel een verschrikkelijk goede kok in de keuken staan. En ik ken het vanwege de regelmatige overstroming van de rivier Areco, die uitgebreid op de televisie worden getoond en vanwege de dochter van mijn buurman Raúl – die zichzelf een maand geleden zonodig moest verhangen – die er woont.

Wat je onderweg in ieder geval niet moet missen, zijn de twee reclameborden die zijn geplaatst aan het eind van een stukje nooit afgebouwde tolweg net binnen de bebouwde kom van de hoofdstad. Daardoor wordt het verkeer gedwongen de toch al overvolle weg naar en langs het vliegveld Aeroparque te nemen. Het ene is van het stadsbestuur van Buenos Aires, waar de oppositie regeert, daarop wordt de nationale overheid de schuld gegeven van het ongemak dat de weggebruikers dagelijks ondervinden. Op het andere bord maakt de nationale overheid de burgemeester van Buenos Aires uit voor een luie en besluiteloze leider en geeft hem uiteraard de schuld. Het is hier zelden saai. Het duurt daarna nog ongeveer 60 kilometer voordat de vol-verwachting-klopt-mijn-hart reiziger de bebouwde kom van de agglomeratie Buenos Aires achter zich laat, waarna het platteland eindelijk begint. Lekker vlak en meestal leeg tot aan een verre horizon. Af en toe een dorp dat duidelijk van de landbouw leeft en slechts hier en daar nog wat veeteelt. De koeien hebben afgedaan sinds het financieel aantrekkelijker is om de weilanden om te ploegen en er soya te gaan verbouwen. En waar geen koeien meer zijn, zijn ook geen Gauchos meer nodig. De Gaucho is daardoor min of meer verworden tot wat in Nederland de in klederdracht rondlopende boerinnen of vissersvrouwen zijn: folklore voor zon- en feestdagen én voor toeristen dus.

We parkeren de auto op het eerste het beste plein zoals het volgens een gebodsbord moet: in een hoek van 45 graden met het trottoir. Verder maar liever te voet op zoek naar de Gauchofolklore in het stadje dat in 1731 begon als “El Pago de Areco”. “Pago” is de aanduiding van en dorpje of gehucht in het Spaans, het was dus “het dorp aan de rivier de Areco”. Zoals in zoveel stadjes en dorpen in Argentinië heeft San Antonio een strak op een wafelijzer gelijkend stratenplan met vooral lage huizen die soms een aardige gevelversiering hebben. En zoals het hoort, wordt het centrale plein, dat over het algemeen wordt aangeduid als “la Plaza”, omzoomd door de kerk, het gemeentehuis en het politiebureau. Lekker vertrouwd allemaal en weinig opwindend, laat staan bijzonder Gaucho-esque. Maar wat niet is kan komen, misschien wel aan de andere kant van de rivier. De weg daar naartoe wordt mooi beschreven in de eerste zinnen van het boek “Don Segundo Sombra”, een Gaucho-klassieker van de schrijver Ricardo Güiraldes: “Aan de buitenkant van het dorp, op zo’n 10 straten van de Plaza, verbindt de oude brug de huizen met de rust van het platteland. Zoals ik iedere dag deed, had ik me in de koele schaduw onder de boog van de brug verscholen om wat kleine meervallen te vangen, die ik daarna in de pulpería – een plattelandswinkel annex café - la Blanqueada zou gaan ruilen voor zoete lekkernijen, cigaretten en een paar centen”.

De brug, sinds 1999 een historisch monument, oversteken moet met beleid gebeuren. Plaveisel ontbreekt – wel erg authentiek – waardoor na een regenachtige nacht de modder en de plassen water slechts met moeite kunnen worden ontweken. Op de andere oever een lelijk grijs granieten monument dat is opgedragen aan de schrijver en zijn hoofdpersoon, iets verderop la Blanqueada, thans onderdeel van het naar Güiraldes vernoemde Gauchomuseum. Om klachten achteraf te voorkomen hoeft de bezoeker pas over de koop van een entreebewijs te beslissen na de uitleg dat door de waterschade van de recente overstromingen de estancia, met daarin het grootste deel van de collectie, niet bezocht kan worden. Toch maar naar binnen in de tot museale ruimte omgebouwde voormalige winkel om van alles wat met leerbewerking en het vlechten van leer heeft te maken – hetgeen erg Gaucho zou zijn - te bekijken. En verder? Nog meer bewerkt leer beslagen met zilver, mooi bewerkte houten stijgbeugels, zwepen en van die ballen die de Gauchos zo mooi om de poten van het te vangen vee konden slingeren. En, tot mijn verrassing, een voorwerp dat diende om maïs te zaaien dat me spontaan herinnert aan het radeerwieltje dat mijn moeder lang geleden gebruikte om patronen uit de Marion, een blad voor zelfmaakmode, te kopiëren op patroonpapier. Nostalgie uit mijn kinderjaren in plaats van Gauchoromatiek. Zo gaat dat kennelijk als je Napels wilt zien en nog lang geen zin hebt om te sterven.