|
OP ONTDEKKINGSREIS IN ROTTERDAM – 6 – DE ONDERZEEBOOTLOODS - 2 (04072011) De weg rond de Waalhaven was, en is deels nog, bestraat met wat in Rotterdam “kinderkoppies” heten en elders kasseien, die het formaat en de vorm van een kinderhoofdje hebben. Het was een alles behalve glad wegdek. In de tijd dat anticonceptie minder algemeen werd gepraktiseerd en abortusklinieken nog moesten worden bedacht, kon een onverhoedse zwangerschap eenvoudig worden afgebroken door één of meer snelle ritten achterop de brommer, scooter of motorfiets over dit ongelijke wegdek te maken. Spontane abortus gegarandeerd, zo gaat het verhaal althans. Aan de zuidkant lag voor de oorlog trouwens het Vliegveld Waalhaven, het eerste Nederlandse vliegveld voor de burgerluchtvaart. Eerder dan Schiphol! Maar, zoals zoveel rond de grootste gegraven haven ter wereld: voltooid verleden tijd. Eindelijk de afslag naar Heijplaat, wind in de rug. Aan de linkerkant de Eemhaven, een van de eerste havens waar containers konden worden gelost en geladen. Aan de Waalhavenkant zijn wat haventerreinen in gebruik genomen door bedrijven die beweren iets nuttigs met huisvuil en andersoortig afval te doen. Zou dit nu allemaal met de modernisering van de haven worden bedoeld? Een haven vrijwel zonder enig scheepvaartverkeer van betekenis? Heijplaat ligt als een oase tussen de haven- en industrieterreinen en ziet er, met uitzondering van de lelijke naoorlogse nieuwbouw, nog net zo uit als toen. Hoewel je er gewoon langs of omheen kunt fietsen, is het niet meer dan vanzelfsprekend een kijkje nemen in het Tuindorp dat tijdens de Eerste Wereldoorlog speciaal voor het RDM personeel werd gebouwd. De gedenksteen die op 18 november 1914 door de kinderen van de toenmalige eigenaar werd onthuld herinnert eraan. Het was de tijd dat tuindorpen in zwang kwamen. Zo werd in 1913 de N.V. Eerste Rotterdamsche Tuindorp opgericht die in Rotterdam-Zuid het Tuindorp Vreewijk zou bouwen. Hoewel de initiatiefnemers – zonder uitzondering gegoede burgers - voor de bouw van zowel Heijplaat als Vreewijk qua sociaal denken hun tijd vooruit waren, was er beslist geen sprake van 100% onbaatzuchtig handelen. Zo was het voor de geïsoleerd gelegen RDM handig dat de werknemers dichtbij het bedrijf kwamen wonen in een huis met een tuin en goede sanitaire voorzieningen. Met als gevolg minder ziektes dan in de destijds gebruikelijke “huurkazernes” en daardoor, als prettige bijkomstigheid, minder ziekteverzuim en hogere arbeidsproductiviteit. Wel een aparte kerk voor iedere gezindte: Nederlands Hervormd, Gereformeerd en Rooms-Katholiek, maar geen café. Zo werd ook het alcoholisme buiten de deur gehouden. Zowel in Vreewijk als in Heijplaat was de plaats van de bewoner in de hiërarchie af te leiden uit de grootte van het huis waarin hij woonde. Het rijtje met de grootste huizen van Heijplaat werd “het Gouden Randje” genoemd. Naar binnen via de poort waardoor de werfarbeiders naar hun werk gingen. Een troosteloos verlaten terrein. Lege kades, een haven waar alleen de veerboot naar de Willemskade aanlegt, de dokken zijn verdwenen, ijdele dukdalven en havenkranen hebben hun functie verloren, onvoorstelbaar dat hier ooit duizenden mensen werkten. De oude fabriekshallen zijn opgeknapt, deuren en ramen hebben de door architecten voorgeschreven op menie lijkende kleur “hedendaags rood” gekregen. De halflege onderzeebootloods – in feite een overkapte scheepshelling - ligt wat eenzaam in een uithoek aan de Maas. In de lege helft: nutteloze kabelgoten, trappen, deuren naar kantoortjes die overbodig zijn, pijpen en buizen. En de geribbelde metalen buis met een flinke diameter, net een bovengrondse rioolbuis, maar wel één die toegang geeft tot de gevulde helft van de loods waar de installatie “The One & The Many” van de heren Elmgreen & Dragset staat. Een rond gat, een lange gang, halverwege een pinautomaat waar onder een vondeling in een reiswiegje ligt. Er tegenover een krukje met ernaast een bakje met wat muntstukken en een blindenstok, de blinde bedelaar pauzeert zeker even. Het licht aan het eind van de tunnel is schemerlicht, er klinkt kermismuziek, geschreeuw, te hard staande televisietoestellen. Het is de ruimte waarin het kunstenaarsduo hun treurige arbeiderswijk hebben gebouwd. Het is de ruimte waar de bezoeker ongewild een voyeur wordt, doch zonder enige tegenzin, eerder gretig. Een triest flatgebouw dat een Stalinistische architectuurprijs zou kunnen winnen. De ramen zijn verlicht, de kamers zijn bewoond, maar er is niemand thuis. Voor de flat staat een reuzenrad, door erin te stappen kun je ook een vluchtige blik werpen door de ramen van de hoger gelegen etages. Door naar binnen te gluren kun je fantaseren over de mensen die er wonen. Vast en zeker een Chinees in de flat waar in de keuken niets anders dan Chinese ingrediënten liggen en Chinese symbolen hangen en staan. Maar wat te denken van de kamer met de aardbol – een wereldreiziger? – of die met de gitaar voor de bank waarop iemand ligt te slapen – een musicus? – of die waar veel lege bierflesjes op tafel staan – een alcoholist? Voor het gebouw is een parkeerplaats met in de verste hoek een openbaar toilet waar homohoeren rondhangen – hanghomo’s? – die klanten proberen op te pikken. Het zijn acteurs die hun rol met grote overtuiging spelen, maar wie weet dat vooraf? Erg eng dus. Een stretched limo die wordt gerepareerd, een volkse jongedame met baby in de kinderwagen die via haar mobieltje luidkeels ruzie maakt met de verwekker. Op deze plek werden dus onderzeeboten gebouwd, de trots van vaderlands kunnen en vernuft. Met het veer terug over de Maas, langs de kades waar de loodsen van vroeger zijn vervangen door hedendaagse gebouwen. Ter hoogte van Katendrecht dobbert een gele bus in water: de amfibiebus. Half boot, half bus. Is dit nu wat rest van onze ooit zo trotse vaderlandse scheepsbouwindustrie? Een varende bus? slot |