CONTAINERMUSEUM (14072011)

Een wat slonzig voormalig bedrijfsterrein in het Oost-Vlaamse Kemzeke, een dorp op loopafstand van het Zeeuws-Vlaamse Hulst. Scheef hangende parkeermeters in een berm waar het onmogelijk is om te parkeren, slordig gestapelde containers, een enorme grauwe loods met aan de zijkant glazen kassen waarin in vroeger wie weet wat is gekweekt. Op het grotendeels ongeplaveide parkeerterrein staan vreemd ogende machines, op houten pallets ligt bewerkt sloopafval dat geduldig lijkt te wachten op een heftruck die ze in een containers moet gaan tillen. Hoewel ik vrijwel zeker weet dat zoiets nog niet tot de mogelijkheden behoort, lijkt het net alsof zelfs de langdurige regenval en de grauwe hemel op bestelling zijn geleverd om dit decor te vervolmaken. Het is echt zo’n plek waar je moet zijn, anders rijd je er gewoon voorbij. Zou het met opzet visueel zo onaantrekkelijk mogelijk zijn gemaakt om het exclusief te houden? Wij willen hier per se een vroeg werk van een bevriend beeldend kunstenaar gaan bekijken dat door zijn omvang – 863 delen – vrij zelden in zijn geheel is te bewonderen. Deze buitenkans kunnen we gewoon niet voorbij laten gaan. Bovendien zien we de maker later vandaag en moeten dan natuurlijk goed beslagen ten ijs komen.

In de loods is het bijna net zo slordig als buiten, het dak lekt, door kortsluiting is er geen licht, een aantal van elektriciteit afhankelijke kunstwerken staan er werkloos bij, de kunst hangt en staat in het halfduister. Bij de receptie een “bij voorbaat” verontschuldiging: “Onze tentoonstellingsruimte wil geen oase zijn. Onze show is onaf, in beweging, ongepolijst, contradictorisch, slordig, complex, onharmonieus, levend en monumentaal, zoals de wereld buiten de museummuren. Bij ons geen opzichtige spektakelgebouwen maar een verfrissende, onpretentieuze plaats om kunst te bekijken en subtiele kritiek op de kunstwereld”. Vooral dat “bij ons geen opzichtige spektakelgebouwen” spreekt mij erg aan. Geen gezeur over “kleine aankoopbudgetten” of “lagere subsidies” terwijl ondertussen wel ruimhartig miljoenen worden “gedeeld” met architecten, aannemers en betonmolenaars. Collectievorming en het maken van interessante tentoonstellingen staat hier centraal. Zoals het hoort! De trouwfoto’s die tussen de kunst in de kassen worden geschoten zouden een toevallige happening kunnen zijn, maar er wordt zowaar echt getrouwd. Uit de kluiten gewassen beelden en installaties staan er, een leerzaam voorbeeld van ecokunst uit de collectie is de “Earthcar” van ?eter de Cupere. Een met modder ingesmeerde en met tuingereedschap behangen Renault 4 bestel inclusief een grasveldje op het dak, een “scent sculpture” volgens de maker. De modder zal dus wel mest zijn, hoewel reukloze. Aan het andere einde van de kas staat “een operationeel geromanticeerd anarchistisch arendsnest” van het collectief NCN?, Ni Christi Ni ?olitici. Een oude bestelbus of afgedankte camper, omringd door wapentuig, molotov cocktails, pantservuisten, munitiekisten, het manifest en de symbolen van de kunstenaars die zich afzetten tegen de “artificiële kunstpiramide”. Een experimentele kasplant, vind ik, die het best zo snel mogelijk gerooid mag worden.

In de museumtuin is door de motregen geen mens te bekennen. ’t Is daarom even schrikken als ik tegen een groep loslopende wilde paarden denk aan te lopen. Ze zijn echter niet van vlees en bloed, maar door “animalier” Ronald de Winter van betonijzer, kippengaas en dergelijke gemaakt. Veel erg robuuste werken, zoals de 12 meter hoge houten koepel “Dome” van Aenaes Wilder, door de transparante constructie prachtig ruimtelijk. Vlakbij een vrijwel glazen huis dat door Jason van der Woude werd gebouwd van afgedankte ramen en deuren van een Breda’s renovatieproject. Nog meer overbodig geworden materiaal: meerpalen op het droge, wat zijn die dingen groot als ze niet diep in het water staan, en een “huisje” van sinaasappelkistjes van Jetske Verhoeven. Van een vijftal knotwilgen maakte Will Beckers een levend kunstwerk. Hij vlecht de takken in elkaar en snoeit ze dusdanig dat ze een geheel worden, net een grote mand van wilgentenen die op de stammen rust. Verrassend innovatieve kunst, waar hier volop ruimte voor is. Op dit terrein startte Verbeke ooit een kippenfokkerij en veevoederbedrijf dat “toevallig” uitgroeide tot een transport- en overslagonderneming. “Op een bepaald moment had ik een vrachtwagen nodig. Daar kwam snel een tweede bij, een derde, een vierde...... Voor dat ik het goed en wel besefte was ik transporteur”. En zo verdiende hij uiteindelijk veel geld met het vervoeren van containers. Na een slepend conflict met de gemeente – volgens het bestemmingsplan lag het bedrijf in een voor landbouw bestemde zone – verkocht hij de hele handel. Behalve het terrein van 12 hectaren, de loodsen en de kassen, waarop en waarin Verbeke en zijn vrouw Carla sinds 2007 hun vanaf het eind jaren tachtig van de vorige eeuw verzamelde hedendaagse kunst tonen en tentoonstellingen organiseren. Volgens mij heeft Verbeke nooit écht afscheid kunnen nemen van de containers: de bezoeker gaat de loods – het museum - in door een container, de slordig gestapelde containers op het parkeerterrein blijkt een installatie van Frank Castelyns te zijn! En in de loods staat een container die ooit op het strand van Knokke door de “Channel Surf Club” als berging voor surfplanken werd gebruikt. Die werd op een dag door de toen nog onbekende Keith Haring beschilderd en heeft, na jarenlang spoorloos te zijn geweest, uiteindelijk onderdak gekregen waar hij thuishoort: in het containermuseum van Geert Verbeke.