|
KOLONIALE GESCHIEDENIS - 1 (29072011) Langs de buitenrand van Flevoland en door de Noordoostpolder richting Friesland. Het nieuwe land ziet er net zo oer-Nederlands uit als het eeuwenoude: landerijen, weiden, dijken, boerderijen, langs een lineaal getrokken sloten. Een rit door de IJsselmeerpolders die, volgens de Duitse kunstenaar Joseph Beuys, het uit de schilderskunst zo fameuze “Hollandse Licht” voorgoed om zeep hebben geholpen. Het is gelukkig wel bewaard gebleven op duizenden schilderijen met Hollandse luchten die het licht zagen voordat de inpoldering in de jaren dertig van de vorige eeuw goed op gang kwam. Beuys en anderen stellen dat door het kleiner worden van het wateroppervlak, de reflectie van de hoeveelheid licht naar de wolken sterk is verminderd, waardoor het licht uit de eeuwen voor de inpoldering heel anders was dan tegenwoordig het geval is. In tegenstelling tot Beuys geloof ik wel degelijk dat het mooie “Hollandse Licht” nog steeds bestaat en dat het uniek is. Ik woon al jaren vlakbij de oever van de Río de la ?lata, op loopafstand van waar die rivier bijna 60 kilometer breed is en verder stroomafwaarts voortdurend breder wordt. Tot 220 kilometer toe. Een enorme plas water, groter dan wat er over is van de voormalige Zuiderzee. Maar specifiek Argentijns licht? Nee, zoiets is me nooit opgevallen. Wel veel reflectie dus en heel wat vaker zonlicht, doch ook veel minder elkaar met grote regelmaat aflossende cumuluswolken of vanuit zee binnen drijvende wolkenvelden waartegen dat terug kan kaatsen, iets dat het licht in Nederland zo bijzonder maakt. In Buenos Aires komt er meestal een gesloten wolkendek aanzetten dat iedere reflectie onmogelijk maakt. Alsof het licht wordt uitgedaan, heel anders, echter nooit speciaal. Ergens in een uithoek van Drenthe, op de grens met Friesland en Groningen ligt een stukje bijzonder koloniaal verleden. Geen Oost-Indië, Suriname, Ceylon, Nieuw Amsterdam, VOC, WIC of de Kaapkolonie, maar Veenhuizen, een voormalige dwangkolonie voor maatschappelijk ongewenste medeburgers. Eén van de koloniën die werden gesticht door de in 1818 door Generaal J. van den Bosch opgerichte Maatschappij van Weldadigheid. Van den Bosch zou het nadien eerst tot Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië schoppen - waar hij het door Multatuli naderhand in de Max Havelaar aan de kaak gestelde cultuurstelsel invoerde – en later tot Minister van Koloniën. Hoewel ik ten zeerste betwijfel of dat was te danken aan zijn ervaring in en met zijn “Weldadigheid” koloniën. Terwijl het allemaal zo goed was bedoeld. De Maatschappij had de nobele doelstelling om “verpauperde landgenoten een nieuwe basis van bestaan te bieden binnen de bescherming van landbouwkoloniën, om vervolgens kansrijk terug te keren in de normale maatschappij”. Het betrof een door de Franse bezetting verpauerde bevolking, het moet zoiets als de armoede na de Tweede Wereldoorlog zijn geweest. Het begon met een proefkolonie, die later Frederiksoord zou gaan heten. Daar ging men weliswaar op basis van vrijwilligheid heen, maar moest zich wel onderwerpen aan strenge regels en streng toezicht. Veenhuizen, gesticht in 1823, was op een andere leest geschoeid, dat was een gedwongen heropvoedingskamp – een strafkolonie of dwangkolonie - voor landlopers en bedelaars en voor hen die zich in de landbouwkoloniën hadden misdragen. Of, zo begrijp ik het, hun weldoeners teleurstelden door drankmisbruik, ontucht, verkwisting, brutaliteit of desertie. Na het bijna failliet van de Maatschappij van Weldadigheid nam de Nederlandse Staat de strafkolonie in 1859 over, in 1870 werd Veenhuizen een Rijkswerkinrichting. Het bleef tot 1981 van de buitenwereld afgesloten zichzelf bedruipend werkkamp en gevangenis. Een smalle weg langs een kaarsrecht kanaal, de Kolonievaart. Ergens halverwege rechts een gevangenis, Norgerhaven, links de afslag naar Groot Bankenbosch. Die naam roept spontaan herinneringen op, de dronken stem van de veel te jong gestorven cabaretier Frans Halsema begint door mijn hoofd te zingen. En de gedragen stemmen van het mannenkoor dat het refrein zong:
De poort van Bankenbos staat altijd gastvrij open Bankenbosch, na de Tweede Wereldoorlog gebouwd als detentiekamp voor hen die weigerden te gaan vechten in de volgende oorlog – de politionele acties in Nederlands-Indië - op te sluiten. Het zou in de jaren 60 van de vorige eeuw dé gevangenis worden voor hen die dronken achter het stuur hadden gezeten. Hoewel het een “open inrichting” is, ben je er als geďnteresseerde bezoeker alles behalve welkom. Aan het begin van de Bankenbosweg staat het beroemdste verbodsbordje van Nederland: “VERBODEN TOEGANG – art: 461 wetb: v: strafrecht.” even verder een herhaalde waarschuwing: “De toegang tot dit terrein is verboden voor onbevoegden en voor hen die zich niet gedragen naar de door middel van verkeersborden en/of op andere wijze door of namens de Directie gegeven aanwijzigingen”. Terwijl volgens Frans Halsema de poort van Bankenbosch, nota bene “altijd gastvrij” open zou staan. Die tekst heeft hij vast en zeker met een flink stuk in zijn kraag geschreven. wordt vervolgd |