|
KOLONIALE GESCHIEDENIS - 2 (08082011) De afslag naar Veenhuizen is niet te missen dankzij een groot oranje bord langs de weg. De zwart-wit foto van een jonge Generaal Johannes van den Bosch die eraan is bevestigd, lijkt de passerende weggebruikers te noden om eens te komen kijken naar wat er van de door hem en zijn medestanders in de Maatschappij van Weldadigheid in 1823 begonnen kolonie terecht is gekomen. Tot 1985, dus 162 jaar lang, waren pottenkijkers er niet welkom. Veenhuizen was afgesloten van de buitenwereld, behalve voor werknemers – lees: gevangenispersoneel – en hun gezinnen en de er gedwongen verblijvende bewoners van de “gestichten”. De harde waarheid is dat Veenhuizen heel erg lang erg veel weghad van een concentratiekamp, een goelag avant la lettre, dat ook nog eens door de overheid was uitbesteed aan een organisatie met “Weldadigheid” in haar naam, doch die weinig met echte caritas had te maken. “Helaas was de animo onder de arme bevolking om af te reizen naar het verre Drenthe klein. Ook bleek het experiment veel duurder dan verwacht. De Maatschappij begon al snel verlies te draaien. Vijf jaar na de oprichting werd daarom het motto: wil men niet goedschiks, dan maar kwaadschiks! In 1823 werd er een contract met de overheid afgesloten. Armlastige gezinnen, wezen, vondelingen, landlopers en bedelaars konden nu ook gedwongen worden opgenomen. De Maatschappij bouwde daartoe drie dwanggestichten in Veenhuizen. De bedoeling was een zelfvoorzienende gemeenschap te realiseren. De bewoners moesten het veen afgraven. Ze bebouwden het land en legden kanalen aan. Rond de drie gestichten verrezen een korenmolen, een smederij, een spinnerij, kerken en voorraadschuren. Er heerste een strak regime in de kolonie en overtredingen werden streng bestraft.” Zo staat het allemaal keurig afstandelijk beschreven in het bezoekersgidsje van het thans in het Tweede Gesticht gevestigde Gevangenis Museum. Gedwongen opsluiting en dwangarbeid. Door het dreigende failliet van de Maatschappij van Weldadigheid werd de kolonie overgenomen door de Rijksoverheid. Eerst zwaaide het Ministerie van Binnenlandse Zaken er de scepter en vanaf 1875 het Ministerie van Justitie. Vrijwel direct na de “overname” door Justitie werd begonnen – onbewust uiteraard - met de bouw van wat nu wordt beschouwd als cultureel erfgoed. Het staat zelfs op de nominatie om tot Werelderfgoed te worden verheven. Hoofdingenieur der gevangenissen en rechtsgebouwen bij het Departement van Justitie was de architect Johan Metzelaar, die op 1 januari 1886 in die functie werd opgevolgd door zijn zoon Willem. Het meest opvallende gebouw dat door Metzelaar senior werd ontworpen is “Klein Soestdijk”, de voormalige residentie van de directeur, het overgrote deel van de gebouwen en woningen in Veenhuizen is echter van de hand van Metzelaar junior. Met dit in het achterhoofd behoeft de uitzonderlijke architectonische samenhang van Veenhuizen geen nadere uitleg. Gevangenissen, dienstwoningen voor alle rangen en standen, het ziekenhuis, hoeves, de timmerwerkplaats, de Rooms Katholieke kerk en de synagoge onstonden allemaal op de tekentafel van Willem Metzelaar. Of hij ook de stichtelijke namen voor de gebouwen en woningen bedacht, is niet bekend, de namen in de gevels hadden in ieder geval een relatie met het beroep van de beoogde bewoners of de functie van het gebouw. Wij overnachten in wat de voormalige medische cluster van van Veenhuizen was. Die bestaat uit: Toewijding, de dienstwonigen van de geneesheer, Plichtgevoel, de apothekerswoning, Bitter en Zoet, de apotheek met woonruimte voor de assistent-apotheker, Vertrouw op God, het ziekenhuis. Dat heette in de volksmond trouwens “Gauw bij God”, een cynische verwijzing naar de minder optimale overlevingskansen die men daar bij opname had. Een korte avondwandeling voor het diner om sfeer te snuiven. Niemand op straat, geen winkels, geen lawaai. Zitten alle bewoners soms achter de tralies? Volgens de gemeentelijke informatie heeft Veenhuizen “ongeveer 1.250 inwoners, dat is inclusief een wisselend aantal lang gestraften die in de gevangenissen leven”. Midden in het dorp ligt het Tweede Gesticht, een van de weinige gebouwen die resteren uit de begintijd van de kolonie. Aan beide zijden een gevangenis, aan de ene kant de niet meer in gebruik zijnde Gevangenis de Rode ?annen, aan de andere kant Esserheem waar de ”VRIS – VReemdelingen In de Strafrechtketen” hun straf uitzitten. Ambtenaren die tijd hebben om zoiets te bedenken, mogen per direct in de VUT. Hoe verzinnen ze het. Dit is ambtelijke taal voor strafrechtelijk gedetineerde vreemdelingen met een straf of strafrestant van meer dan vier maanden. Ze worden trouwens tijdens hun verblijf “voorbereid op hun terugkeer”. Schuin tegenover de hoofdingang van het Gesticht staat de trotse Wilhelminaboom die in 1898 werd geplant ter gelegenheid van de kroning van Koningin Wilhelmina. De dwangarbeidsmid van dienst heeft er destijds een mooi hekje voor gemaakt met een grote W erop en de dwangarbeidhoveniers hebben het allemaal prima bijgehouden, zodat de knotlinde er na ruim 110 jaar net zo stoer bijstaat als het standbeeld van Koningin Wilhelmina aan de Rotterdamse Parkkade. De mooiste ontdekking van vandaag staat echter in de tuin van het ziekenhuis: een ijskoepel. Een pokdalig betonnen ding dat veel wegheeft van een iglo, een ingenieuze vondst. In de wintermaanden werd natuurijs gehakt en in de koepel gestouwd, die werd of was afgedekt met een dikke laag veen als isolatiemateriaal. Aldus creëerde men een koelruimte voor het bewaren van medicijnen, die kennelijk prima werkte totdat de volgende winter inviel! Hetgeen toen nog met de regelmaat van de klok was ........ wordt vervolgd |