|
KOLONIALE GESCHIEDENIS - 3 (13082011) Voor Willem Cornelis Metzelaar (1849 – 1918) moet Veenhuizen een zowat eindeloos durende natte droom zijn geweest. Want hoeveel architecten krijgen de kans om een nieuwe stad of een nieuw dorp te ontwerpen? Het Brasilia van Oscar Niemeyer is een uitgelezen eigentijds voorbeeld, de nieuwe hoofdsteden van Ivoorkust en Nigeria, Yamoussoukrou en Abuja – ik heb ze beide bezocht – lijken nergens op. Een allegaartje, zoiets als Almere. Daarmee vergeleken is, wat mij betreft althans, de dorpskern van Veenhuizen een Brasilia op Madurodamformaat. In beide gevallen is er sprake van een niet alledaagse architectonische eenheid die aansluit bij het karakter van het land. Braziliaanse levenslust en frivoliteit versus de strenge Calvinistische functionele soberheid zonder enige opsmuk. Metzelaar was door zijn functie – Hoofdingenieur der Gevangenissen en Rechtsgebouwen van het Departement van Justitie – verder onder meer verantwoordelijk voor het ontwerp van een dertigtal Kantongerechten verspreid over het hele land, de Koepelgevangenis in Haarlem en het in die omgeving wat uit de toon vallende Gerechtsgebouw aan de Rotterdamse Noordsingel. Aan dat laatste gebouw bewaar ik overigens goede herinneringen. Jeetje, wat was ik opgelucht toen daar in één van de troosteloze rechtszalen mijn eerste echtscheiding werd uitgesproken, hoewel dat natuurlijk geen zier met de architect heeft te maken. Tijdens de ochtendwandeling over de 3.5 kilometer lange Generaal van de Boschroute – creatieve geesten moeten hier nog worden geboren – onstaat een goed beeld van de zelfredzame inrichting van Veenhuizen. Én hoe de ambtelijke rangen en standenmaatschappij zichtbaar werd gemaakt door de grootte van de huizen tot en met het soort boom in de voortuin. Rode of bruine beuken voor de hogere ambtsdragers, eikenbomen voor de iets minder aanzienlijken, voor de nog lageren in rang een ligusterlaag, wat heersters en zo. De paupers in de gestichten moesten het doen met kleine - vaak gedeelde - ruimtes en een kale binnenplaats. De elektriciteitscentrale aan de vaart is al lang gesloten, maar als je naar binnen kijkt en ziet hoe “klaar om opgestart te worden” alles er bij staat, verwacht je dat gek genoeg bijna. Door het bos en de landerijen richting woonwijk. Een kleine supermarkt die op de fles is, de Rooms-Katholieke kerk – niet op de fles, maar wel gesloten – beide vanwege gebrek aan klandizie vermoed ik. In het veen let men dus wel degelijk op een turfje. Schuin aan de overkant twee klassieke pisbakken en de fraaie achthoekige Koepelkerk waarvoor de eerste steen op 7 juli 1825 werd gelegd door de Weledelgeboren Vrouwe Rudolphina Wilhelmina van den Bosch geboren de Sturler, de tweede echtgenote van de Generaal. Uiteraard werd de rode bakstenen kerk gebouwd door de in de strafkolonie opgesloten gevangen, die toen het gebouw eenmaal klaar was daar ook nog eens gedwongen godsdienstonderricht kregen. En ik heb het vermoeden dat de kerk niet voor niets vier toegangsdeuren heeft, op die manier konden directie, personeel en gevangenen keurig gescheiden het godshuis betreden zonder elkaar voor de voeten te lopen. Andere tijden. De Koepelkerk is een zogenaamde “Waterstaatskerk”, een kerk gebouwd met financiële steun van de Nederlandse Staat, waarvan het ontwerp en de bouw onderhevig waren aan goedkeuring en het toezicht door de ingenieurs van het Ministerie van Waterstaat. Nogmaals: andere tijden. Links de Kolonievaart, vanuit de hemel overdadige regenval, rechts achtereenvolgens het Verenigingsgebouw, Klein Soestdijk – de voormalige residentie van de directeur, de synagoge die bij gebrek aan Joodse bewoners al snel een kantoor werd, de romp van de molen, een bijzondere graandrogerij op “poeren” om de ventilatie te bevorderen. Maallust, de net gerestaureerde graanmaalderij waarin nu een ambachtelijke bierbrouwerij in huist, de oude melkfabriek en graansilo’s zijn omgebouwd tot een outdoorcentrum, inclusief klimmuur. In de achtertuin van een van de buren staat een best aparte sculptuur van tussen vier ruwhouten palen gestapelde zwerfkeien en een bij het Maal-complex passende installatie die bestaat uit een drietal in een metalen frame gevangen houten borden met het opschrift MAAL, MAAL, MAAL, die in de wind om een as draaien. Malen dus. Bij het voormalige directiehotel rechtsaf, terug naar de dorpskern. Een typische uit drie delen bestaande boerderij, aangepast aan de lokale omstandigheden door het woonhuis tussen twee schuren te plaatsen, de ene een stal voor het vee, de andere voor de opslag van de gereedschappen. Arbeid en Zegen, Kennis is Macht, Orde en Tucht - ooit de ambtswoning van de officieren van bewaking, zou het dagelijks van en naar het gedwongen werk langs die stichtelijke namen lopen nu echt de bedoelde heilzame uitwerking hebben gehad? In de jaren 1823 – 1825 waren in rap tempo drie Gestichten gebouwd: I en III voor weduwen en wezen, Gesticht II voor landlopers. Het waren grote op kazernes lijkende vierkante gebouwen van 145 bij 145 meter die een ruime binnenplaats hadden en waren omgeven een gracht. Toegang uitsluitend via een ophaalbrug, zodat ongewenste bezoekers konden worden buitengehouden en zij die de deur niet uit mochten niet naar buiten konden. Het principe van de kazernepoort of de poort van een gevangenis. Generaal van den Bosch was nogal gecharmeerd van het toepassen van militaire orde en discipline om van de opgepakte paupers weer enigszins acceptabele medeburgers te maken. Het Tweede Gesticht heeft als enige de sloop en de herinrichting van Veenhuizen van na het vertrek van de Maatschappij van Weldadigheid overleefd. wordt vervolgd |