KOLONIALE GESCHIEDENIS - 4 (17082011)

“Armoede is gebrek aan arbeid” staat ergens op de vloer van het Nationaal Gevangenismuseum dat is gevestigd in een deel van het voormalige Tweede Gesticht van Veenhuizen. Een uitspraak van Generaal Johannes van den Bosch - niet bepaald een ervaringsdeskundige – en de grondgedachte voor de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid. Als middel om de armoede in vooral de steden in het westen van het land te bestrijden, richtte men in het noorden en oosten landbouwkoloniën op. Twee daarvan waren dwangkoloniën. De Generaal en zijn medestanders hadden vastgesteld dat daar veel minder armoede en landloperij voorkwam omdat er voldoende werkgelegenheid was. Armoe bestrijden door werkgelegenheid te scheppen en gelijktijdig de grote steden verlossen van een sociaal probleem, dat waren meerdere vliegen in één klap. Dat zoiets gedwongen migratie en dwangarbeid met zich meebracht, mag geen naam hebben. De goede bedoelingen wogen zwaarder. De tralies voor de ramen van het museum, gekraste namen in de houten dakspanten en foto’s van uniform geklede mannen met spade over de schouder die onder toezicht naar het werk worden afgemarcheerd, zijn stille getuigen die gemakkelijk over het hoofd worden gezien als men door het fraai ogende Veenhuizen wandelt of het onderhoudende museum bezoekt. De museumzalen waren voorheen werkplaatsen en slaapzalen: “In een zaal woonden tachtig personen. Er waren acht tafels en 16 bankjes zonder leuning. Iedere kolonist had zijn eigen hangmat met een laken, deken en kussen. Ook had ieder een bord, mes, lepel en vork opgeborgen in zijn kastje. ?er zaal was er een poepton zodat men ’s nachts de zaal niet hoefde te verlaten. Iedere zaal had een opzichtersechtpaar dat er op toezag dat alle regels werden nageleefd”. Er was een strikt regime en een strak dagrooster, iedere avond werd een appel gehouden om zeker te zijn dat er niemand vandoor was gegaan. De instructie hoe ’s ochtends de dekens moesten worden opgevouwen en de pispotten schoongemaakt, dateert uit een latere tijd. Al dat en het bord waarop de “sterkte der menage” werd bijgehouden, roept zomaar erg sterke herinneringen op aan mijn militaire diensttijd! En dan is er een bescheiden verwijzing naar het “Vierde Gesticht”, de begraafplaats.

Eigenlijk zijn er twee begraafplaatsen, een Joodse en één voor alle andere gezindten. Op de moeilijk te vinden Joodse begraafplaats staat maar één enkele grafsteen, die van Jetta Jacoba Bargerbuhr. De echtgenote van Izaak Nathan Nieuwied, onderwijzer, koster, ritueel slachter en voorganger van de Joodse gemeente van Veenhuizen. In 1890 werden alle Joodse bewoners overgebracht naar Hoorn, vandaar dat de synagoge een kantoor werd en er hier geen doden meer werden begraven. Het graf ligt in een bosschage achter prikkeldraad, het waarom daarvan begrijp ik niet zo goed dus klim er overheen. Het ziet er slordig en slecht onderhouden uit, de grafsteen steekt scherp af tegen de jonge maïs op de akker er achter. Het “Vierde Gesticht” daarentegen is een goed onderhouden, vredige en tegelijkertijd verbazingwekkende begraafplaats. De hiërarchie die in de dorpskern zo goed zichtbaar is, wordt in de dood nadrukkelijk herhaald en uitgelegd op een enkel A4-tje dat in de vitrine bij de ingang hangt: direct rechts na de ingang VAK 1 met voorin de Nederlands Hervormde verpleegden, weezen, militaire en arbeidershuisgezinnen, achterin hun Rooms Katholieke lotgenoten. Dit is het deel van de begraafplaats van voor 1875, het jaar waarin de verantwoordelijkheid voor Veenhuizen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken werd overgedragen aan Justitie. Direct links van de ingang VAK 2 voor Nederlands Hervormde ambtenaren. Een deel dateert van voor het jaar 1900 en een deel van daarna. VAK 3, links achterin na 1875, Nederland Hervormde verpleegden. Begraven onder witte kruisen, meestal naamloos omwille van privacy. VAK 4, rechts achterin na 1875. De Rooms Katholieke tegenhanger van VAK 3 met in het voorste gedeelte een apart perkje voor Rooms Katholieke ambtenaren, die hier in de minderheid of tweederangs burgers waren. “Verpleegden” is in deze het eufemisme waarmee de gedwongen opgesloten mensen werden aangeduid.

Totdat Justitie het beheer over Veenhuizen overnam, werden de overledenen verpakt in een jute omslag of hun hangmat en naamloos in VAK 1 gedumpt. Geen kist, zo de kuil in. De doden werden echter wel geregistreerd in het bevolkingsregister van de Gemeente Norg waartoe de kolonie behoorde. Hoewel in een met een register meegezonden brief uit 1895, waarvan een kopie in de vitrine hangt, de volgende instructie wordt gegeven: “Na heden behooren daarin alle lijken te worden ingeschreven, welke op eenig deel van de begraafplaats worden bijgezet dus onverschillig of die van ambtenaren, gezinnen of zaalbewoners afkomstig zijn.” Waaruit kan worden afgeleid dat daar de hand mee werd gelicht. In de vakken 3 en 4 staan kleine betonnen paaltjes met de aanduiding NH of RK erop naast de rijen kruizen, verder is het achterin net een oorlogsbegraafplaats. VAK 2 is het elitevak met grafstenen, ijzeren hekwerkjes en ovalen zinken grafdozen of graftrommels. Die grafdozen, gevuld met een krans van kunstbloemen, heb ik nooit eerder. Ze kwamen in het laatste deel van de 19e eeuw in de mode en verdwenen na de Tweede Wereldoorlog weer. Een uur later volgt in een XL supermarkt van Albert Heijn in Assen het laatste opzienbarende moment van de dag: alle vakkenvullers en al het kassapersoneel is blank en niemand draagt een hoofddoekje! Iets dat heel erg opvalt als je slechts af en toe en dan ook nog eens uitsluitend bij AH in de Randstad boodschappen doet.

wordt vervolgd