KOLONIALE GESCHIEDENIS - 5 (22082011)

Door de gestaag vallende regen langs kaarsrechte kanalen, door kleine dorpen, langs een afgebrande televisiemast naar de bakermat van de Maatschappij van Weldadigheid. Mede dankzij de contributie van vijf cent per lid per week die door plaatselijk actieve “Subcommissies van Weldadigheid” werd geheven, kon in augustus 1818 het langoed Westerbeeksloot worden aangekocht. Drie maanden later arriveerden de eerste kolonisten in Kolonie I, een proefkolonie die naderhand Frederiksoord zou worden gedoopt. Vernoemd naar ?rins Frederik, zoon van Koning Willem I en medestander van Generaal van den Bosch. In tegenstelling tot Veenhuizen was Frederiksoord een “vrije kolonie”, maar al te vrij was het er nu ook weer niet, er heerste een streng regime en er was veel toezicht. Maar goed, de echte doorbijters konden het tot “vrijboer” schoppen, hoewel velen aan de kuierlatten trokken voordat het zover was. De op voordracht van de Subcommissies uitverkoren kolonisten, waren zo op het eerste gezicht bofkonten die een uitzichtloos en armoedig bestaan in de bedompte grote steden verruilden voor een gesubsidieerde opleiding en/of herscholing tot landbouwer in de frisse lucht van het platteland. Bij aankomst in de kolonie kregen ze een woning toegewezen, wat kleinvee en een stuk grond van 3 morgen – ongeveer 2,6 hectare – waarop het eigen voedsel kon worden verbouwd. Voor deze pioniers zouden in totaal 430 zogenaamde “koloniewoningen” worden gebouwd, waarvan er thans nog zo’n 50 over zijn. Eén daarvan kan worden bekeken in het Museum Koloniehof: half woning, half schuur, half steen, half hout. Bedstedes en weinig woonruimte. Waarschijnlijk helemaal niet als zodanig bedoeld, is de doolhof vlakbij een symbool van wat de stadse paupers in het onontgonnen gebied van de kolonie ervoeren: met erg veel moeite je weg trachten te vinden en het einddoel slechts bij uitzondering bereiken.

Zelfs wij zijn in Frederiksoord vandaag op een bepaalde manier bofkonten want er is een korte lezing met wandeling door de kolonie onder enthousiaste en kundige begeleiding. De vrijheidsbeperkingen van de “vrije kolonie” waren er vele en waar regels worden opgelegd zijn handhavers nodig. Zo waren daar de wijkmeesters, in het begin ex-militairen met een boerenachtergrond, die toezicht hielden op 25 gezinnen en hen onderrichten in de fijne kneepjes van de landbouw. Zij zagen er tevens op toe dat: het huis schoon was, de kleding netjes, de kinderen het verplichte onderwijs volgden, men – er was kerkplicht - naar de kerk ging, er geen alcohol werd gebruikt, men geen schulden had en dat er goed eten op tafel kwam. Want, zo lees ik ergens in de achtergrondinformatie: “sommige schrijvers spreken wel over de kolonisten als mensen die in half-dierlijke staat leefden voordat ze in de kolonie arriveerden”. En de kolonisten – hoeveel konden er eigenlijk lezen en schrijven vraag ik me af - moesten bij aankomst de “huisregels” ondertekenen en zich daaraan onderwerpen: “Art. 1. Alle Kolonisten zijn gehoorzaamheid zonder tegenspraak verschuldigd aan den Directeur en de onder-Opzieners, over hen door de Maatschappij van Weldadigheid gesteld. Zij zullen derzelver bevelen in alles, wat den te doenen arbeid en het bewaren van rust en orde betreft, met welwillendheid volbrengen, en ten aanzien van hun gedrag, zich regelen naar de voorschriften, hun bij dit Reglement gegeven. Art. 2. Alle brutaliteiten tegen de Direkteur, de onder-Opzieners, den Bouwmeester of de Onderwijzers zijn volstrekt verboden”. Van harte welkom! Geen wonder dat de nodige kolonisten er de brui aan gaven en zich in de in buurt ontstane “desperado-kolonies” zoals Vledderveen, Nijensleek en Marijenkamen vestigden. Hetzelfde deden uit de koloniën weggestuurde jongeren die er na hun 18e verjaardag niet langer mochten blijven wonen. Krakers avant la lettre die, als ze er in slaagden tussen zonsondergang en zonsopgang een primitieve plaggenhut te bouwden waar bij daglicht rook uit de schoorsteen kwam, er mochten blijven wonen. De plaggenhut die ik in mijn jongere jaren meerdere malen in het Arnhemse Openluchtmuseum bezocht, is plots stukken minder romantisch.

De wandeling gaat langs de statige grote huizen van de leidinggevenden van weleer, langs de veel kleinere en eenvoudige koloniehuisjes en de iets grotere ambtenarenhuisjes van de wijkmeesters, langs een “vrijboerhoeve”, de aan een vrijboer verpachte boerderij. Langs het huis van de dokter, langs het landgoed Westbeekersloot, tot op de dag van vandaag het hoofdkantoor van de Maatschappij van Weldadigheid, langs de in 1884 door de filantroop van Swieten geschonken Tuinbouwschool. Langs de vrijwel droge Westerbeeksloot, het kanaal waardoor de bouwmaterialen voor de kolonie werden aangevoerd, langs de Gaarkeuken, nu een fraai woonhuis. Na de wandeling rijden we naar het nabijgelegen koloniedorp Wilhelminaoord, langs het Kiemhuis, langs het Koloniekerkje en de pastorie, langs Rustoord – een vijftal woningen uit 1893 die waren bestemd voor bejaarde kolonisten. Langs de nergens meer op lijkende Tramremise van de stoomtram die van Steenwijk via Wilhelminaoord en Frederiksoord naar Noordwolde reed. Ons eindpunt is de hoeve ?rinses Marianne, waar op het achtererf een kolosale hooischuur staat, beide zijn rijksmonumenten. De hoeve ontstond nadat de Maatschappij, na in 1859 het failliet te hebben afgewend, zich ging toeleggen op grootschalige landbouw en bosbouw: om te overleven moest er geld verdiend gaan worden. Uiteraard werd het land bewerkt door als landarbeiders tewerk gestelde kolonisten. Door onze hedendaagse ogen zien Veenhuizen, Frederiksoord en Wilhelminaoord er zowat idyllisch uit, maar net als in de voormalige overzeese koloniën was de werkelijk maar al te vaak heel anders.

slot