|
ZUIDWAARTS - 2 (31082011) Maastricht, nooit eerder ben ik zuidelijker afgedaald binnen de grenzen van het Koninkrijk der Nederlanden. De lelijkheid langs de invalsweg zou je er bijna van weerhouden om verder te rijden, ’t is dat ik niet achter het stuur zit. Tot mijn opluchting is er op het Vrijthof voor dit weekeinde geen zomeravondoptreden van André Rieu en consorten geprogrammeerd, desondanks zijn de terrasjes bomvol. Gelukkig kan er naast het plein, in de luwte van het overbodig geworden postkantoor, een eerste glas Limburgs tapbier worden gedronken ter voorbereiding op een lange stadswandeling. Na de kerken en de kloosters zijn postkantoren de volgende categorie gebouwen die in het vaderland in onbruik zijn geraakt. Wat alle drie hier in Maastricht gemeen hebben is dat ze mooi en groot zijn en bovendien centraal zijn gelegen. Het gesloten hoofdpostkantoor is, zo ontdek ik, een ontwerp van Jan Grandpré Molière. Deze voorman van de Delftse school zou zich na dit postkantoor samen met anderen gaan bezig houden met het ontwerpen van het Rotterdamse Tuindorp Vreewijk. Boven de hoofdingang staan, onder het Nederlandse wapenschild en de Maastrichtse stadswapen twee stoere op pinguins lijkende valken. En dat terwijl Grandpré Molière vond dat de functie van een gebouw moest zijn terug te zien in de vorm ervan. Maar, als je heel goed kijkt, ontdek je toch nog zes fladderende postduiven boven de woorden POST en TELEGRAAF. Het doekje van Grandpré voor het bloeden. De rode toren van de naast de Sint Servaasbasiliek gelegen Sint Janskerk – het was er voorheen een filiaal van - is de hoogste van Maastricht. Nadat Frederik Hendrik de stad in 1632 had veroverd, werd het een protestantse kerk – een godsdienstige enclave bijna - en dat is het nog steeds. De beeldenstormers verwijderden de zo verfoeide heiligenbeelden en lieten de muurschilderingen achter een laag witte kalk verdwijnen. Calvinistische soberheid in optima forma: de aandacht dient op het woord van de Heer te zijn gevestigd en mag niet worden afgeleid door beelden van steen of anderszins. Zouden de verweerde heiligenbeeldjes die in een paar nissen langs de straat staan daarom door een traliewerkje worden beveilgd? Het stadhuis op de Markt is net zo’n bewijsstuk dat de “Hollanders” de baas in de stad waren geworden, het strakke 17e eeuwse Hollandse classicisme steekt eeuwen later onveranderd schril af tegen de rest van de bebouwing. Maar dan moet je wel met je rug naar de rivier staan, want aan de achterkant ligt dat oerlelijke Mosae Forum. Ouderwetse kerkdeuren zijn overduidelijk niet goed genoeg voor de nieuwe eigenaren van de voormalige godshuizen. De hotelketen die het 15e eeuwse Kruisherenkloostercomplex kocht, heeft een glimmende roodkoperen tunnel, die wat op een langgerekt hoefijzer lijkt, tegen de kerk aan laten plakken. Aan het eind ervan geven zacht zoevende glazen deuren toegang tot de hotellobby. De Dominicanenkerk heeft, zij het wat vaag, het leven van Thomas van Aquino (1225 - 1274) op de binnenmuur. Heel vanzelfsprekend, want die kerkfilosoof was een Dominicaan. Op de muren van de kerk van de Kruisheren staan beelden uit het leven van de Heilige Gertrudis van Nijvel (626 – 659). Niet dat Gertrudis – ook wel Geertruida - een Kruisheer was, maar ze werd na haar dood vereerd als patrones van de reizigers. Omdat het Kruisherenklooster vaak en veel onderdak bood aan Kruisheren die onderweg waren van of naar hun hoofdkwartier in Hoei of aan pelgrims, vereerden de Maastrichtse monniken haar. Dat de oude kloostercellen tot hotelkamers werden omgebouwd, is niets minder dan het in ere herstellen van de historische functie ervan, maar wat te doen met de hoge ruimte van het gotische kerkgebouw dat je letterlijk op de koop moet toenemen? Daar is waarschijnlijk lang over nagedacht, zonder dat het tot een overdreven fraaie oplossing heeft geleid. In het schip van de kerk is een nogal massieve en, door de aard van de ruimte, langgerekte blokkendoos gebouwd met op het “dak” ervan een in het niets hangend ongezellig restaurant. Aldus, zo vermoed ik, wordt op een nogal aparte manier de slogan van het hotel “Design tussen Hemel en Aarde” verbeeld. Het is zonder meer een slimme oplossing om meer vierkante meters te creëren, hoewel het de “begane grond” tot een bezoeking voor clautrofoben heeft gemaakt en het mooie ruimtelijke karakter van het gebouw min of meer om zeep heeft geholpen. Enige compensatie wordt geboden door de intieme hoekjes die er zijn ontstaan in de nissen, met hier een heiligenbeeld, daar een doopfont, een grafsteen of een altaarstuk. Desondanks ziet het interieur van de kerk er vast en zeker veel beter verzorgd en veel authentieker uit dan de afgelopen ruim tweehonderd jaar. Nadat de kloosterlingen in 1795, aan het begin van de Franse bezetting, hun klooster waren uitgezet, was het een opslagplaats van het Franse, Duitse en Amerikaanse leger, huisvesting voor het Rijkslandbouwproefstation, een dependance van het Rijksarchief, een repetitieruimte van Opera Zuid en tenslotte, sinds 2005, dus een vijfsterrenhotel. Geertruidenberg is naar de zeer gelovige Geertruida genoemd en inspireerde tot de Sint Geerte Minne. Dat was een in de vroege Middeleeuwen een heildronk om vertrekkende reizigers een goede reis en een behouden thuiskomst te wensen. Eén versie van het ontstaan ervan is dat ze van een door haar afgewezen ridder – zij gaf de voorkeur aan het klooster – afscheid had genomen met een heildronk. De ridder stelde alsnog alles in het werk om haar te veroveren. Daartoe verkocht hij zelfs zijn ziel aan de duivel, af te leveren na zeven jaar. Maar omdat Geertruida op zijn heil had gedronken bij hun afscheid, had de duivel geen macht over zijn ziel en werd hij van de ondergang gered. Daar moet op gedronken worden! wordt vervolgd |