ZUIDWAARTS - 6 (17092011)

Ten zuiden van Maastricht ligt nog een klein stukje Nederland, dat moet haast wel het diepe, zo niet het allerdiepste zuiden van ons land zijn. Maar er is meer dan dat, ook het hoogste punt van het land ligt daar ergens: de Vaalserberg, 322,7 meter boven Normaal Amsterdams ?eil. Onderweg naar het Drielandenpunt zijn er op deze zaterdagmorgen net zo veel “berg beklimmende” wielrenners te zien als op een zaterdag of zondag rond Kaapstad. Alleen heerst hier het bronsgroen eikenhout in plaats begin en eind van de bebouwde kom zijn tweetalig: Nederlands en Limburgs. En dan zijn er de nodige aankondigingen van “Luikse Markten” waarvan ik geen idee heb wat dat dan wel mag zijn. Na 1815 was het drielandenpunt als gevolg van de herverkaveling van Europa na de nederlaag van Napoleon zelfs een eeuw lang een vierlandenpunt dankzij een dispuut tussen Nederland en Duitsland over de zinkmijn bij het dorp Kelmis. Het ene land gunde het andere geen souvereiniteit over een destijds belangrijke strategische grondstof. Nogmaals: heel erg weinig nieuws onder de zon. Met het Akens Grensverdrag, ook wel bekend als het Verdrag der Grenzen, werd de zaak in 1816 geregeld: Neu-Moresnet ging naar ?ruisen, Moresnet naar Nederland en het gebied waarin de zinkmijn lag werd een mini-staatje genaamd Neutraal Moresnet. Het va et vient door de afscheiding van België betekende dat de Nederlandse rechten op Moresnet overgingen naar België en na het einde van de Eerste Wereldoorlog werd in Versailles het hele gebied als oorlogsbuit aan België toegedeeld. Einde van het min of meer onafhankelijke staatje Neutraal Moresnet en degradatie van het Vierlandenpunt naar een Drielandenpunt, hoewel het landschap uiteraard hetzelfde bleef. Dat glooiende landschap is te bewonderen vanaf de concurrerende uitkijktorens, een Nederlandse en een Belgische, waar vanaf is te zien dat Aken wel heel erg dichtbij is. De buitenwijken tenminste. ’t Is dringen bij de drie grenspalen en de steen die aangeeft dat hier het hoogste punt van Nederland ligt, want iets dergelijks moet uiteraard op de gevoelige plaat worden vastgelegd. En voor de rest? Voor de rest is het wel apart om in een paar minuten tijd zomaar van het ene land het andere in te kunnen lopen en naar nog een ander zonder dat er een slagboom, prikkeldraad of grensbewaking aan te pas komt. Eigenlijk is de burger hier dus ongemerkt bezig één van de verworvenheden van de Europese eenwording aan den lijve te ondervinden. Veel meer dan curiositeitswaarde heeft het echter niet.

In deze zuidelijke uithoek van Nederland, in het Vijlnerbos, kent mijn gezelschapdame Boscafe ’t Hijgend Hert, een must volgens haar. Het allerleukste vind ik echter de ontdekking op een bord op het parkeerterrein waarop de wandelroutes in de omgeving staan: in de bossen in de buurt moeten prehistorische grafheuvels liggen. Dat maakt de boswandeling een heel stuk meer de moeite waard dan zo maar wat te gaan lopen om het lopen. Gewoon gekleurde paaljes volgen en dan kom je er vanzelf. Niets is minder waar. Steile heuvel op, steile heuvel af en nog een paar keer. Na enige tijd kunnen we niets anders dan toegeven dat het richtingsgevoel ons tijdelijk in de steek heeft gelaten en er niets anders opzit dat de weg terug zien te vinden en dan vervolgens maar proberen of het met de auto wel zal lukken. Aldus komen we terecht bij de niet te missen grafheuvel in het Malensbos. Een graf van “bronstijdboeren” – iets wat volstrekt niet naar dierlijke paringsdrif verwijst - is overduidelijk een ringwalgrafheuvel, een heuvel omringd door een greppel waar omheen een aarden wal ligt, typisch voor het midden- en late bronstijdperk. De grafheuvel bestaat uit gestapelde grote vuursteenbrokken die zijn afgedekt met een laag löss. Er werd in die tijd zowel begraven als gecremeerd en zowel de stoffelijke resten als het as kregen een plek in deze graven. De grafheuvel staat bekend als het “kindergraf” omdat tussen de crematieresten melktandjes zijn gevonden. Dit deel van Nederland was bewijsbaar eerder bewoond dan de rest, lang voor de Batavieren de Rijn afzakten, lang voor de Caninnefaten en de Friezen. Zowel in de Maastrichtse Belvédčre-groeve als bij Sint Geertruid zijn archelogische vondsten gedaan die aantonen dat er in Zuid-Limburg tussen de 100 - 300.000 jaar geleden Neanderthalers woonden. In Maastricht zijn dat de resten van kampementen met stenen werktuigen, botresten en miniscule okerdruppels, in Sint Geertruid is dat zelfs een vuursteenwerkplaats. Dit soort vondsten intrigeren me verschrikkelijk. Zo zijn er in Zuid-Afrika in de Blombosgrot geen okerdruppels gevonden, maar wel kleine stukjes oker met lijnpatronen die worden beschouwd als de oudste symbolische uitingen van de mens. En op het ?aaseiland wandelde ik in 2005 door wat eens de “fabriek” was waar die grote Moai-beelden uit de rotswand werden gehakt. Deze grafheuvel is dan wel van een heel andere orde, maar voor de makers minstens net zo belangrijkrijk. Anders zou die niet hier, hoog op een heuvel, zijn gebouwd. Gebruik makend van de ter plekke beschikbare materialen, bouwden ze het graf met primitieve hulpmiddelen en met ongetwijfeld veel inspanning. Daarom knap ik zo verschrikkelijk af op de moderne toevoeging – een vorm van grafschennis, vind ik - van een bronzen beeldje dat wordt beschreven als “Steen, met daarop een slapend/overleden kind in diverse fragmenten”. Verder zuidwaarts afdalen in het vaderland is niet mogelijk, weer noordwaarts gaan is de enige optie.

slot