DE KUNSTFABRIEK (26052012)

Vanmorgen voor het eerst van mijn leven in Buenos Aires koffie gedronken bij een Starbucks. Die dingen schieten hier het laatste jaar uit de grond, als krokussen in het voorjaar in het verre vaderland. Niet omdat ik echt zin had om de koffie van de traditionele confiteria of die ik thuis maak te verruilen voor die van de Yanken, maar eerder om mijn logee een plezier te doen. Én vanwege het gebouw waarin de koffiewinkel sinds kort is gevestigd: het emblematische Edificio Otto Wulff of Wolf of Wolff of Wulf of zelfs Wülff. De naam is afhankelijk van de bron die men raadpleegt, het aantal variaties lijkt net zo eindeloos als die van mijn eigen familienaam op de grafstenen van de oude begraafplaats van Rhenen. Ik houd het op Otto Wulff, zijn initialen “OW” staan in het siersmeedwerk boven de ingang aan de Calle Perú. Hij was één van de twee eigenaren van het in 1914 opgeleverde gebouw. De andere was de reder Nicolás Mihanovich die in zijn capaciteit van consul van Oostenrijk-Hongarije er het gezantschap van die dubbelmonarchie vestigde. Dat is bijna honderd jaar later nog altijd te zien op de koepels van het toentertijd hoogste gebouw van de stad – 60 meter – die worden bekroond door twee groen uitgeslagen koperen spitsen. Met op de ene een kroon en een zon die Keizer Franz Joseph symboliseert en op de andere een maan – de kroon die er ooit opzat is spoorloos verdwenen – de symbolen van Keizerin Elisabeth. De keizerin die onsterfelijk werd dankzij de “Sisi” films met de Duitse actrice Romy Schneider in de hoofdrol.

Ruim tien jaar geleden begon ik met fotograferen van “cúpulas”, de sierlijke torens en koepels die aardig wat oudere gebouwen in Buenos Aires bekronen. Toen moet ik die van het Edificio Otto Wulff voor het eerst hebben bewonderd en digitaal hebben vastgelegd. De winkelruimte op de begane grond, waar nu dankzij Starbucks na meer dan 10 jaar de rolluiken zijn opgehaald, ken ik niet anders als gesloten. Die koepels fascineerden me dusdanig dat ik op een gegeven moment besloot perse in een gebouw te willen wonen met zo’n cúpula. Zodoende verhuisde ik jaren geleden naar een appartement in een gebouw uit 1912 dat er een had en dat, stomtoevallig, op honderd meter van het door mij zo bewonderde gebouw lag. Sindsdien kan ik vanuit mijn zitkamer meerdere malen per dag even kijken naar wat in Buenos Aires rest van het Oostenrijks-Hongaarse imperium. Niet al te veel dus. Het stoere betonnen gebouw, zo’n beetje het eerste in de stad, heeft een zwaar vervuilde doch opmerkelijk gedecoreerde Jugenstill façade. Grote beelden van vrijwel naakte mannen die een ambacht verbeelden, afbeeldingen van een beer, uilen, pinguïns en wat vogels die op flamingo’s lijken. Onder de daklijst enorme condors en boven de voordeur van Starbucks iets dat wegheeft van de Oostenrijkse keizerskroon, maar net zo goed een schaal met fruit kunnen zijn. En het is pas nu, na al die jaren, dat ik ontdek dat het best eens een kroon zou kunnen zijn omdat de handen van de stoere mannen aan beide zijden een bol vasthouden met daarop een klein menslijk figuurtje met een kroon op het hoofd. Ik ben er bijna zeker dat die Keizer Franz Joseph en Keizerin Elisabeth verbeelden!

Een dag eerder begon in het stadsdeel La Boca een ander net zo oud en opvallend gebouw aan zijn tweede jeugd, een gebouw dat me kort na aankomst in Argentinië al opviel. Onderweg naar mijn werkplek even buiten de stad stak de bovenkant van een “kasteeltoren” boven het viaduct van de snelweg uit. Midden in de volkse havenwijk, omringd door slecht onderhouden loodsen en fabrieken, was het in het oog lopende architectuur. Het viel nogal uit de toon, het was gewoonweg te bijzonder om een fabriek te kunnen zijn, maar toch was het zo. Het was de in 1916 geopende en in de jaren 90 van de vorige eeuw buiten gebruik gestelde Usina “Pedro de Mendoza” van de Compañia Italo-Argentina de Electricidad, een fabriek waar voorheen electriciteit werd opgewekt. De Italiaanse architect Juan Chiogna zou zich hebben laten inspireren door Florentijnse bouwwerken uit de Renaissance, hetgeen goed is te zien. Niet alleen in La Boca, maar door de hele stad, waar zo’n 200 gebouwen en gebouwtjes staan van de elektriciteitsmaatschappij die door Chiogna zijn ontworpen. Ze zijn moeiteloos te herkennen omdat de signatuur van de architect alom aanwezig is: het eenduidige materiaalgebruik en het beeldmerk van het bedrijf - een wapenschildje waarin de letters IAE staan - dat op gevels en muren is te zien. Daarnaast een solide basis van balsaltstenen, muren van terracotta bakstenen, veel bogen en boogjes in de gevels. In La Boca veel smalle sierlijke hoge boogramen, paleisachtige trappen naar de ingang, een kleine “preekstoel” om het imaginair zamelde werkvolk toe te spreken. Te mooi voor een fabriek, zelfs voor een die gesloten is. Dat vond de stadsregering van Buenos Aires al in het jaar 2000 toen men besloot de fabriek te renoveren en er een muziekcentrum in te vestigen. Het jaar daarop sloeg de crisis toe, prioriteiten veranderden, opeens was er geen geld meer. Toch werd het project niet op de lange baan geschoven omdat de huidige regeringsleider vond dat het perfect in zijn politieke straatje paste, dat van “sociale integratie” van de minder welvarende zuidelijke stadsdelen. “Usina del Arte – Kunstfabriek” heet het nu. De generatorruimte is omgebouwd tot een concertzaal, maar de sociale integratie zit in de wachtkamer. In 2012 is er niet genoeg geld voor de programmering en tijdens de openingsvoorstelling werden zoveel gebreken geconstateerd, zodat de fabriekspoorten voorlopig weer op slot zitten.