DE BADKUIP VAN NAPOLEON - (27102012)

Lichtelijk verbijsterd ben ik en met enige stomheid geslagen als ik na lang zoeken in de zaal van de non-ferrometalen van het het Luikse museum “Maison de la Metallurgie et de l’Industrie de Liège” de mobiele badkuip van Napoléon Bonaparte ontdek. En dan ook nog eens dankzij iemand die een groepje bezoekers rondleidt en er op luide toon over begint te vertellen: “Ja de Fransen hebben dit ding al opgeëist, maar het staat toch maar mooi hier” en over het geringe omvang ervan: “Napoléon was niet zo groot, 15 centimeter kleiner nog dan Sarkozy die alles behalve groot van stuk is”. En “destijds zat men in bad, dus het hoefde niet zo lang te zijn”. Ik stond er al naast en zou het in eerste instantie hebben gemist. Bij de receptie was er al opvallend lauw gereageerd toen ik naar het “la baignoire” van de Franse Keizer had gevraagd, nu begrijp ik waarom. Voor mij stond het zonder meer vast dat dit een topstuk van de collectie zou zijn, het tegendeel is het geval. Anoniem staat het daar in een onverlichte vitrine en achter plexiglas waarin het buitenlicht weerspiegelt. Je kan er niet eens omheen lopen. Het staat in een rommelige en schemerige zaal waar ik iets eerder ook al een projectiescherm aan de kant had moeten schuiven om een foto te kunnen maken van een oude reclame-uiting van de zinkmijn en fabriek “Vieille-Montagne”. Vieille Montagne, de verfranste naam van Altenberg, de naam van een zinkmijn die in 1885 werd gesloten. Uitgeput. In 1806 verleende de Napoleontische administratie per decreet een concessie aan de Luikse chemicus Jean-Jacques Dony om de mijn voor 50 jaar te exploiteren. Dony, die een fabricageproces voor zink had uitgevonden en had aangetoond dat zink goedkoop was en zeer flexibel te vormen, was daar zo mee in zijn schik dat hij de Keizer een paar jaar later dit ingenieuze zinken reisbad cadeau zou doen.

Het was in het kleine Geuldalmuseum in Kelmis, dat ik het bestaan van dit voor die tijd ongetwijfeld luxe reisaccessoire ontdekte. Niet in het echt, maar op een foto. Met als bijschrift: “La baignoire de Napoléon Bonaparte........ De badkuip van Napoléon Bonaparte is een geschenk van Jean Jacques Dony aan Napoléon als dank voor het verlenen van de concessie voor de zinkmijn “Vieille Montagne” in Moresnet. Napoléon heeft het tijdens al zijn veldtochten gebruikt. Het werd geërfd door zijn particuliere secretaris Baron Agathon Fain. In 1970 werd het door de erven Dony teruggekocht van de nakomelingen van de Baron en toevertrouwd aan het “Maison de la Métallurgie” alwaar het wordt geëxposeerd. Aan de zijkant heeft de badkuip het monogram “N” en is voorzien van een geschilderde marmer-decoratie. De dubbele wand en een aangebouwde kachel zorgden ervoor dat het badwater warm bleef.” De erven die het bad aan het Luikse museum toevertrouwden, weten waarschijnlijk niet dat het daar als een ondergeschoven kind wordt behandeld. De “N” gevat in een lauwerkrans is in de museumzaal nauwelijks te ontwaren, maar op mijn met flits gemaakte foto gelukkig wel.

“Kelmis” zou een goed woord voor een cryptogram kunnen zijn. Hoewel ik niet geloof dat zoiets spontaan zal opkomen bij de bezoekers ervan. Mij overkwam dat tenminste niet, dat gebeurde pas maanden later, tijdens een tweede bezoek aan het in de noordelijkste punt van Duitstalig België gelegen stadje. In de Oostkantons, het gebied dat na het einde van de Eerste Wereldoorlog middels het verdrag van Versailles aan België werd toegewezen. Oorlogsbuit derhalve, hoewel daar verder niets van te merken is. Kelmis ligt minder dan een half uur ten zuiden van Maastricht, net onder de Voerstreek. Op loopafstand van zowel de Belgisch-Duitse grens bij Aken, als van het drielandenpunt op de Vaalserberg. Bovendien ligt het ook nog eens op Belgische taalgrenzen, daar waar op korte afstand afwisselend Duits, Frans en Vlaams wordt gesproken en soms dient te worden gesproken. De “officiële” borden, zoals die de richting aangeven en de straatnaambordjes, zijn er in het Duits en het Frans gesteld “LÜTTICH – LIÈGE, Max Straße - Rue de Max”. Kelmis ligt in de provincie Luik, waar het Vlaams, geloof ik, officieel niet mag bestaan. Het aan de Maxstraat gelegen Geuldalmuseum is een thematisch museum dat is gewijd aan het ooit hier gemijnde zink en aan de politieke gevolgen daarvan voor de streek. Kelmis was van 1815 tot 1919 de hoofdstad van het dwergstaatje Neutraal Moresnet, dat zijn bestaan dankte aan het Weens Congres. Daar werden de Europese grenzen opnieuw getrokken en ontstond een conflict tussen Pruisen en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden over het gebied waarin de zinkmijn Altenberg/Vielle Montagne lag. Zink werd destijds als een stategische grondstof beschouwd en was de moeite waard om ruzie over te maken. Toen dus ook al.

Het compromis dat volgde, werd vastgelegd in een verdrag waarbij het betwiste gebied werd opgedeeld: een deel voor ons toen stukken grotere vaderland, een stuk voor de vermaledijde maar machtige Pruisen en een stuk dat neutraal werd verklaard. De zinkmijn lag in Neutraal Moresnet dat een min of meer “onafhankelijk staatje” werd met de burgemeester als staatshoofd. Die werd op zijn vingers gekeken – en zo nodig getikt – door de Nederlanders of de Pruisen die de soevereiniteit over het gebied deelden, waardoor Moresnet formeel een “condominium” was. Maar wie kent dat woord tegenwoordig nog in deze context? Het hedendaagse condominium of “condo” slaat immers op de “gedeelde soevereiniteit” over een gebouw, een Vereniging van Eigenaren dus.

wordt vervolgd