DE BADKUIP VAN NAPOLEON - 2 (01112012)

Een rariteitenkabinet zouden zowel het Geuldalmuseum in Kelmis als het Luikse Maison de la Métallurgie et de l’Industrie kunnen zijn. Maar nee, hoewel het er soms naar neigt, zou het te ver gaan de collecties een samengeraapt zooitje te noemen. De cohesie zit ‘m in het thematische van beide musea, hoewel dat naar mijn smaak meer dan kamerbreed is geïnterpreteerd. De thema’s in Kelmis zijn de zinkerts die werd gewonnen in de mijn Altenberg/Vieille Montagne en het dwergstaatje Neutraal Moresnet dat daardoor in 1816 ontstond en na 103 jaar weer van de kaart verdween. Een zaal met amateurische schilderijen van de streek, de mijn, de fabriek, een wat vreemde maquette van Neutraal Moresnet – meer een reliëfkaart -, de vitrine met de in de buurt voorkomende natuursteen en kristallen, het interesseert me nauwelijks. Wat het bezoek echter toch de moeite waard maakt, is te zien in een tweetal uitstalkasten. De ene is volgestouwd met herinneringen aan die enkele eeuw van bijna zelfstandigheid: uiteraard een landkaart, ansichtkaarten met daarop de grenspalen en de grensbeambten bij het vierlandenpunt op de Vaalserberg, de eigen postzegels, een foto van Dr. Wilhelm Molly. Die was naast huisarts eveneens bedrijfsarts van Vieille Montagne en werd de “Ongekroonde Koning van Moresnet” genoemd. Niet voor niets. Hij was het die in 1886 probeerde een postdienst op te zetten en daarvoor de postzegels uitgaf die, volgens het dunne geschiedenisboek dat in de museumwinkel te koop is, nooit konden worden gebruikt omdat de toezichthouders uit België en Pruisen daar een stokje voor staken. In 1908 stelde Molly voor om van Neutraal Moresnet de eerste Esperanto sprekende staat ter wereld te maken dat “Amikejo” moest gaan heten, het Esperantowoord voor “Plek van Vriendschap”. Na het einde van de Eerste Wereldoorlog werd alles echter zoals het nu is: de grens werd wat naar het oosten verlegd, Moresnet werd bij België gevoegd. Over en uit.

De andere interessante vitrine is aan het zink en de zinkmijn gewijd. Mooie ontwerptekeningen voor de fabriek waar het erts verwerkt zou gaan worden, een saaie ets van het complex, een omschrijving met tekening van de door Jean Jacques Dony uitgevonden zinksmeltoven. Voorbeelden van producten die dankzij het door Dony ontwikkelde procedé om zink te walsen en vervolgens te vervormen konden worden gemaakt. Gebruiksvoorwerpen uit het huis van mijn grootouders zoals tuingieters, emmers, wasborden en wastobbes die, als ik het goed herinner, “teilen” werden genoemd. In mijn jonste jaren, voordat ieder huis van een badkamer was voorzien, ging ik in een zinken wasteil in bad. Die stond in de wintermaanden in de huiskamer voor een met kolen gestookte kachel. Verder zijn er dak- en gevelbedekking en zinken sierornamenten te zien: windvanen in de vorm van een vlaggetje, kerktorenhanen, dakgoten en zinken “dakpannen”. De grote “zinkdoorbraak” is ongetwijfeld te danken aan de Franse architect Haussmann, die bij de 19e eeuwse stadsvernieuwing van Parijs het metaal op grote schaal toepaste. Dat werd in 1862 zelfs de verplichte standaard toen het stadsbestuur ordonneerde dat daken en dakgoten voortaan van zink moesten zijn, hetgeen tot op de dag van vandaag een lust voor het oog is. Allemaal veel te laat voor de vroeg overleden en failliet gegane Dony, maar een mooie opsteker voor degenen die Vieille Montagne van hem hadden gekocht.

Van de fabriek en de mijn is niets over, alsof ze nooit hebben bestaan. De ontwerpen van de architect en een wat zielige maquette van de mijningang is wat rest. Het reisbad dat Dony ruim tweehonderd jaar geleden als relatiegeschenk aan Napoléon schonk, is – zo staat naast de foto ervan - in Luik te bewonderen, zo’n dertig kilometer verderop. Een heuvelachtig landschap, als je niet beter zou weten zou je denken door Zuid-Limburg te rijden. Eenmaal in de stad is langs de rivier de Ourthe te zien dat er weinig over is van Luik als industrieel centrum: vervallen fabrieksgebouwen met ingegooide ramen, grote statige huizen verworden tot treurig ogende woonkazernes. Het museum is gevestigd in het van de sloop geredde deel van het voormalige fabriekscomplex van Espérance-Longdoz, op de plaats van wat wel werd gesloopt, staat een glimmend nieuw winkelcentrum van dertien in een dozijn. Bij de receptie zinkt de moed me bijna in de schoenen. Niet alleen omdat de receptioniste niet weet waar “la baignoire de Napoléon Bonaparte” staat, maar ook vanwege de nogal in het oog springende “salle de l’informatique” er tegenover die vol staat met afgedankte IBM apparatuur uit de begintijd van de kantoorautomatisering. Terwijl ik die hele ontwikkeling van nabij heb meegemaakt, roept dat geen enkel gevoel van nostalgie of wat dan ook bij mij op. Gelukkig zijn er door het hele museum verwijzingen naar la Vieille Montagne: gelijk al een brandpomp uit ongeveer 1900 en in de zaal van de non-ferrometalen beelden van zink, gietmallen, reclames, een catalogus, een korte biografie van Dony - “Geniale uitvinder – Ongelukkige manager” – én het nauwelijks te ontwaren bad van Napoléon. In een zaal op de eerste verdieping hangen foto’s uit de bedrijfsalbums die directeur de Saint-Paul de Sinçay rond 1868 liet maken. Daarin staan alle personeelsleden in werkkleding en met hun gereedschap afgebeeld. Die van zinkdakdekker ?mile Delchef zou kort geleden kunnen zijn gemaakt en wat mij betreft de reeds lang uit Kelmis verdwenen zinkindustrie een menselijk gezicht geeft.

slot