ELOISA CARTONERA (04052013)

Na voor de derde keer een blauwtje bij Eloisa te hebben gelopen, wordt het de hoogste tijd om het over een andere boeg te gaan gooien. Iedere keer als ik bij haar langs ga, is ze niet thuis, zit de voordeur stevig op slot en zijn de rolluiken neergelaten. Ruim een jaar geleden ontmoette ik haar voor het eerst, op de havenkade van La Boca, ik was gelijk weg van haar kleurrijke en aparte verschijning. Als het meezit lukt het misschien nog wel een keer om haar op diezelfde plek tegen te komen. Hoop doet immers leven? Op de zaterdagmiddag vlak voor Kerstmis is ze er niet, waarschijnlijk te druk met haar kerstinkopen. Met het spontaan opgekomen Plan B om de zinnen te verzetten, zit het ook niet mee. Nu ik toch in de buurt ben, wil ik langs het water naar de iets verder gelegen “Usina del Arte” lopen om daar bij het juiste licht wat foto’s te maken. Van de “Kunstfabriek” waar vrijwel nooit iets gebeurt. Dat komt door het globale verschijnsel dat het opknappen van het gebouw – waarin voorheen elektriciteit werd opgewekt – zoveel heeft gekost, dat er geen geld over is voor de programmering van de culturele hoogstandjes die de Porteños, de inwoners van Buenos Aires, al meer dan tien jaar worden beloofd. Als bewijs daarvoor bewaar ik zorgvuldig een artikel uit de krant van 18 juli 2003.

Even na de brug van La Boca, die de stad Buenos Aires met de gelijknamige provincie verbindt, houden twee gendarmes mij staande. “Bent u toerist?”, informeren ze beleefd. “Nee, ik woon hier”, antwoord ik geheel naar waarheid. Zij kijken me aan alsof ik ze belazer, mijn voorkomen en mijn accent zaaien twijfel. Dat gebeurde eerder vandaag ook al toen iemand bij de halte informeerde of de bus die er aankwam de kant opging waar zij naar toe moest. Toen ik antwoordde dat ze op het punt stond een verkeerde bus te nemen, zei ze tegen anderen die stonden te wachten: “En dan wordt mij door een buitenlander de weg in mijn eigen stad gewezen!” Ben je ingeburgerd, is het weer niet goed. Waar ik dan wel naartoe ga, willen de heren weten. Na het antwoord “naar de Usina del Arte”, suggereren ze dat ik dan maar liever een andere weg moet nemen. Uitleg krijg ik ook: “Als u beroofd wilt worden moet u beslist verder lopen.” Lachend vraag ik hen of die beroving gegarandeerd zal gebeuren, hetgeen met een “100% seguro” wordt bevestigd. Hoewel ik nauwelijks iets van waarde bij me heb, zou het onverstandig zijn hun goede raad te negeren. En dat nog wel op klaarlichte dag. De Kunstfabriek is gesloten, maar staat toch op een kiertje open: er zijn op het hele uur rondleidingen op afspraak. Én zelfs zonder afspraak, want de rondleiders hebben bij gebrek aan belangstelling niets anders te doen. Als voorstander van hergebruik in plaats van slopen, vind ik dat de “Usina” een pluim verdient, maar wat is het er van binnnen leeg. Toegegeven, de buitenkant ziet er piekfijn uit, binnen zijn veel details zorgvuldig bewaard gebleven, met name het alom aanwezige logo van de elektriciteitsmaatschappij IAE, maar het voelt aan als een gebouw zonder ziel. Zelfs de enorme installatie in de voormalige turbinekamer van een typische porteense gevel die wordt verdubbeld door de even grote spiegel die ervoor op de vloer is aangebracht, verandert daar niets aan. Maar dat kan ook komen omdat mijn gedachten bij Eloisa zijn. Bij Eloisa Cartonera.

Volhouden loont. Deze keer staat er een raam open aan de zijkant van het gebouw waar Eloisa woont, een fileteador is aan het werk in zijn atelier. Filete, de decoratieve kunst die je waar dan ook in Buenos Aires kunt tegenkomen. Hij vertelt me desgevraagd dat Eloisa meestal na twee uur ’s middags thuis is. Ronddwalen in de buurt en wachten tot het zover is. Het zo te zien gekraakte huis ligt vrijwel naast “La Bombonera”, het voetbalstadion van Boca Juniors, en schuin tegenover de al lang gesloten fabriek van Mignaquy & Co. Eindelijk gaan de rolluiken omhoog, de voordeur open en wordt een eenvoudige boekwinkel zichtbaar, want Eloisa Cartonera is helaas geen mooie vrouw, maar een bijzonder initiatief. Op de weinige planken staan boekjes waarvan de omslagen zijn gemaakt van karton, van karton dat door “cartoneros” - het nachtleger van weggegooid papierverzamelaars – wordt aangeleverd. Als het in goede staat verkeert, krijgen ze ter aanmoediging een hogere prijs dan elders wordt betaald. De teksten worden ter beschikking gesteld door de auteurs, ieder boekje heeft een unieke omslag die in een hoek van de winkel door vrijwilligers “zomaar” met penseel en verf uit glazen potjes worden geschilderd waar je bijstaat. Je zou sommige boekjes haast kopen vanwege het uiterlijk, zoals ik doe met één waarop duidelijk “MALBEC” is te zien, de Argentijnse wijn die ik het liefste drink. En nu is aan Eloisa de Prins Clausprijs toegekend, verwarring alom. Een enorme zak met geld, wat doe je daar in vredesnaam mee? Een van de medewerkers zegt dat er over wordt gedacht om het geld maar weg te geven. Mijn hoop dat de onverwachte rijkdom Eloisa’s hoofd niet op hol zal doen slaan, is eigenbelang: ik wil graag dat ze mooi, eenvoudig en speciaal blijft. Zoals ze was toen ik haar voor het eerst ontmoette.