BOA VISTA - 5 (14032013)

De inwoners van Bofareira, dat een dorp van niets is, gedragen zich alsof ze in een grote stad in wording leven. Aan de grens van de bebouwde kom, of beter: het bebouwde kommetje, daar waar de geasfalteerde weg vanaf Sal Rei opeens ophoudt, staat een gedenksteen voor de inauguratie van die weg door niemand minder dan de Minister President en de Minister van Infrastructuur en Economische zaken. Stukken voornamer dan een eerdere ingebruikname van de Estrada Cemitério – de weg naar de begraafplaats – die werd verricht door de voorzitter van de Gemeenteraad van Boa Vista. Op het dorpsplein is een uitnodiging voor het Carnavalsbal aangeplakt, daarin wordt “de hele bevolking”, alle 200 inwoners dus, aangespoord om op te komen dagen. “FALTAR É PERDER” oftewel als je niet komt loop je iets geweldigs mis. Bovendien is het binnenkort Valentijnsdag, daarvoor staat er in het Centro de Juventude – het Jeugdhonk – een speciale COFRE DO AMOR. Daarin kunnen tot 14 februari “de liefdesverklaring aan de door u geliefde persoon” worden gedeponeerd. Om vervolgens op Valentijnsdag in aanwezigheid van het hele dorp te worden uitgereikt aan “de respectievelijke verliefden”. Kom daar nog maar eens om in onze snelle door internet gedreven maatschappij. Als ik vervolgens echter het schrale aanbod aan groeten en fruit van de enig aanwezige marktvrouw bekijk, dan lijkt het onmiddelijk een stukken minder romantisch dorp dan de Cofre do Amor deed vermoeden.

De weg van Bofareira naar João Galego is verhard met vulkanische klinkers, de lokale versie van de Belgische kassei. Zo’n weg van kinderhoofdjes als langs de Rotterdamse Waalhaven ligt, een abortusweg. Pas jaren nadat mijn ouders naar die stad waren verhuisd, begreep ik dat een ongewenste zwangerschap spontaan kon worden afgebroken door een paar keer met de zwangere vrouw achterop een motor of brommer met wat minder goede vering over dat wegdek te rijden. Dat was uiteraard in de tijd dat anticonceptie nauwelijks beschikbaar was – de pil moest nog worden uitgevonden – en abortus was verboden. Maar wie weet, is het niet meer dan een stadslegende. Tussen de dorpen liggen vooral schraal begroeide heuvels, doch het is geen Atacamawoestijn zoals mijn eerste indruk vanuit het vliegtuig was, eerder de ruige Zuid-Afrikaanse Karoo. Zand, zwerfkeien, oud vulkanisch gesteente. Hier en daar een uit gestapelde stenen bestaande “kraal” die als nachtverblijf voor de geiten dient. Langs de droge rivierbedding die we kruisen, liggen kleine akkers, die worden afgeschermd door lappen die zijn gemaakt door geweven cementzakken open te knippen. Die zijn bedoeld om het zand buiten te houden. En dan rijden we Joao Galego binnen: een lange rechte straat, eenvoudige lage huizen. Plots wordt er gestopt voor een groot gemoderniseerd huis met een zandkleurige gevel waarop met grote witte letters SC FEYENOORD staat geschreven. Het verbaast me niet eens, in het dorp wonen vast en zeker Kaapverdianen met een Rotterdamse achtergrond. Uit niets blijkt echter dat dit het geboortehuis van Germano Almeida is, maar dat is het wel. Staande in de achterbak krijg ik net genoeg tijd om drie foto’s te maken. Freddy heeft verdomme opeens haast om op tijd in Fundo das Figueiras te zijn, alwaar we bij Nha Terra worden verwacht. Iets dat wat mij betreft totaal onbelangrijk is. Ik heb goed de pest in, maar krijg genoeg tijd om de teleurstelling te verwerken om op vriendelijke wijze later alsnog mijn zin proberen te krijgen.

Fundo das Figueiras heeft zelfs 400 inwoners, het ziet er redelijk welvarend uit en is erg schoon. Hangjongeren, zo heb ik ondertussen door, vormen een vast onderdeel van het decor dat we dorp na dorp zien. Net zoals een kerkje, een aantal vrolijk gekleurde gevels en de souvenirwinkel die steevast NO STRESS heet. Uit het niets is er plotseling ruzie: iemand denkt ongevraagd te zijn gefotografeerd. De verontwaardigde schreeuwer spreekt geen Engels, de verbaasde fotograaf geen woord Portugees, de boodschap is echter luid en duidelijk: zoiets doe je hier niet. Naderhand zegt een van onze begeleiders schamper dat het alleen maar om geld gaat. Het bezoek aan de openbare wasplaats valt me zwaar tegen. Geen ijverige huisvrouwen die er vrolijk zingend of opgewekt roddelend met de handen uit de mouwen de was staan te doen, bovendien is het dusdanig gemoderniseerd dat de oorspronkelijke charme totaal is verdwenen. Driemaal jammer. Op het Franse platteland staan nog veel van die “lavoirs” waar een stroompje doorheen loopt dat voor schoon water zorgt. Hoewel die door de aanleg van waterleidingen en wasmachines overbodig zijn geworden, worden ze veelal in originele staat bewaard en goed onderhouden. Ik heb wat met die dingen en heb er in de loop der jaren flink wat gefotografeerd. De allermooiste herinnering die ik echter aan zo'n openbare wasplaats heb, dateert uit 2007. Aan het werk in Guatemala ging ik in een weekeinde naar Antigua Guatemala, de oorspronkelijke hoofdstad van het land die lang geleden deels werd verwoest door een vulkaanuitbarsting. Op die zaterdagmorgen stonden twee in traditionele kleding gestoken jonge vrouwen daar de was te doen, we raakten in gesprek. “Wonen jullie ver weg?”, vroeg mijn reisgenote. Het zeer authentieke niet verwachte antwoord was “Twee Quetzales”, twintig cent. Zij rekenden niet in kilometers, maar met de prijs van het buskaartje terug naar huis.

wordt vervolgd