|
DAGBOEK SURINAME - 3 (290813) Donderdag 15 augustus 2013 – Paramaribo - Domburg - Overbridge. De bootsman is gereed, we gaan stroomopwaarts in een van een dak voorziene korjaal, een bescherming tegen de zon – en soms de regen – die eenmalig zal blijken te zijn. De Surinamerivier is een getijdenrivier, de invloed van het zoute oceaanwater is af te lezen aan de begroeiing op de oevers: mangroven. De groene muur wordt tot aan Paranam – waar bauxieterts tot aluinaarde wordt verwerkt - slechts heel af en toe onderbroken door een weekeindhuis. Veel tegemoetkomend scheepvaartverkeer is er evenmin, wat we tegenkomen bestaat vrijwel uitsluitend uit rijnaakachtige schepen geladen met zand. Die zandbakken zijn een teken van economische voorspoed, het zand is immers een belangrijke grondstof voor beton? Hetgeen duidt op nogal wat bouwactiviteit. Op de linkeroever duikt uit het niets een lange damwand op, erachter ligt een onzichtbare bauxietmijn. Kilometers verder zomaar een stukje vaderlandse trots: de snijkopzuiger Taurus van Boskalis, maar wat doet die onwaarschijnlijke drijvende fabriek hier eigenlijk? Als er al wat gebeurt tenminste, want er wordt niet zichtbaar gewerkt. Toch is er ook hier, in de buurt van Lelydorp, sprake van een bauxietmijn die uit zicht ligt. Na de twee onzichtbare ontmoetingen met de belangrijkste grondstof die in Suriname wordt gedolven, eindelijk iets tastbaars. Te beginnen met veel rode stof – de kleur van de bauxieterts - een in elkaar gezakt ketelhuis waarin voorheen de energie voor de aluinaardefabriek van Suralco werd opgewekt, de silo's met aluinaarde, een schip aan de kade die dit halffabrikaat naar de aluminiumsmelterij in Trinidad zal vervoeren. En dan komt, zoals vrijwel iedere dag van de drie weken durende reis zal gebeuren, de “binnenlandse oorlog” ter sprake. Tot die tijd werd hier alumium geproduceerd totdat Ronnie Brunswijk, de leider van het Jungle Commando, dreigde om electriciteitsvoorziening vanaf de Brokopondodam te zullen saboteren door een enkele lichtmast op te blazen. Einde van de lokale aluminiumproduktie en Trinidad blij met de extra werkgelegenheid. Het voorgespiegelde “hoogtepunt” van vandaag is een bezoek aan wat rest van de tussen 1897 en 1973 door de Evangelische Broedergemeenschap bestierde leprozenkolonie “Groot-Chatillon” die eigenlijk “Bethesda” heette. Het Bijbelse Bethesda was een plaats waar men heen ging om genezing te zoeken, vele malen meer van toepassing dan Groot-Chatillon, de naam van de plantage die er voorheen was gevestigd. Een bedrijf dat overleefde in de slavernij-economie die weinig met “genezing” had te maken, eerder met uitbuiting. We gaan aan wal en lopen door het regenwoud dat hier wordt aangemerkt als een extensie van het Amazonegebied. Hoewel er droevig weinig is te zien, moet ik aan Che Guevara denken die in zijn legendarische “Motorcycle Diaries” beschrijft hoe hij en reisgezel Alberto Granado in het Peruaanse Amazonegebied als vrijwilligers in een leprozenkolonie werkten. Zoals daar, bestond ook hier een strikte scheiding tussen de leprozen en de “gezonden”. Daar een rivier, hier een sloot. En voor de rest heeft de jungle vrijwel alles vernietigd. Het betonnen waterreservoir staat er nog, met aan de voet een mandje met offerandes aan de voorouders en vlakbij, heel raar, resten van de toiletten en stukken muur van rode bakstenen: de doktershuizen. Wat onze reisorganistie ook beweert, een toeristische trekpleister zal dit nooit worden. wordt vervolgd |