DAGBOEK SURINAME - 3 (290813)

Donderdag 15 augustus 2013 – Paramaribo - Domburg - Overbridge.
Ook het Surinaamse Domburg ligt aan het water, aan dat van de Surinamerivier. Verder gaat iedere vergelijking met het Zeeuwse Domburg mank. 't Is een gat van niks waar we moeten wachten totdat de bootsman klaar is om af te varen naar Overbridge, de eindbestemming van vandaag. Natuurlijk zijn er zelfs in een “gat van niks” dingen te ontdekken. Te beginnen met Ronald McDonald die in dit land het boegbeeld is van de campagne “BIJ BRAND BEL 110” en gelijk daarna de “warung”. Die is na de afschaffing van de slavernij destijds meegekomen met de Javaanse contractarbeiders, het is een snackbar uit vervlogen tijden. Geen glamour, geen dure reclamecampagnes, geen hamburgers of friet, het zijn zeer eenvoudige winkeltjes met traditioneel voedsel. De bestelling van een reisgenoot met Surinaamse roots maakt me nieuwsgierig, met als gevolg dat ik met een bekertje dawet en goelong-goelong naar buiten loop. Een verfrissend rose drankje op basis van cocosmelk en maizena en rose pannekoekjes gevuld met geraspte cocos. Opeens moet ik aan mijn eerste maanden in Afrika denken toen een Franse collega mij onderwees: “om een land te leren kennen, moet je hun dranken drinken, hun voedsel eten en met hun vrouwen slapen.” Nog geen 48 uur in Suriname en er is aan twee van de drie voorwaarden voldaan! Aan de overkant van de weg staat bij een boom een vrijwel onleesbare gedenksteen. Men schijnt hier jubilea of andere significante gebeurtenissen te herdenken met het planten van een boom, waarbij de egotrippende planter zichzelf ook in het zonnetje wil zetten. Ietsje verderop een gebouwtje waarvan ik denk dat het een hindoetempel is, het is echter een kerkje van de Evangelische Broedergemeente, een ietwat verlept kerkje. En een hernieuwde kennismaking met de Hernhutters, met wat in Zuid-Afrika de Moravische Kerk heet. In dat land bezocht ik ontelbare missiedorpen die door de Hernhutters werden gesticht en kreeg bewondering voor hun tegendraadse doelstelling om kansarmen een kans op ontwikkeling te bieden die de koloniale heerser ze onthield. In de Westkaap waren dat met name de kleurlingen, in Suriname de marrons en creolen.

De bootsman is gereed, we gaan stroomopwaarts in een van een dak voorziene korjaal, een bescherming tegen de zon – en soms de regen – die eenmalig zal blijken te zijn. De Surinamerivier is een getijdenrivier, de invloed van het zoute oceaanwater is af te lezen aan de begroeiing op de oevers: mangroven. De groene muur wordt tot aan Paranam – waar bauxieterts tot aluinaarde wordt verwerkt - slechts heel af en toe onderbroken door een weekeindhuis. Veel tegemoetkomend scheepvaartverkeer is er evenmin, wat we tegenkomen bestaat vrijwel uitsluitend uit rijnaakachtige schepen geladen met zand. Die zandbakken zijn een teken van economische voorspoed, het zand is immers een belangrijke grondstof voor beton? Hetgeen duidt op nogal wat bouwactiviteit. Op de linkeroever duikt uit het niets een lange damwand op, erachter ligt een onzichtbare bauxietmijn. Kilometers verder zomaar een stukje vaderlandse trots: de snijkopzuiger Taurus van Boskalis, maar wat doet die onwaarschijnlijke drijvende fabriek hier eigenlijk? Als er al wat gebeurt tenminste, want er wordt niet zichtbaar gewerkt. Toch is er ook hier, in de buurt van Lelydorp, sprake van een bauxietmijn die uit zicht ligt. Na de twee onzichtbare ontmoetingen met de belangrijkste grondstof die in Suriname wordt gedolven, eindelijk iets tastbaars. Te beginnen met veel rode stof – de kleur van de bauxieterts - een in elkaar gezakt ketelhuis waarin voorheen de energie voor de aluinaardefabriek van Suralco werd opgewekt, de silo's met aluinaarde, een schip aan de kade die dit halffabrikaat naar de aluminiumsmelterij in Trinidad zal vervoeren. En dan komt, zoals vrijwel iedere dag van de drie weken durende reis zal gebeuren, de “binnenlandse oorlog” ter sprake. Tot die tijd werd hier alumium geproduceerd totdat Ronnie Brunswijk, de leider van het Jungle Commando, dreigde om electriciteitsvoorziening vanaf de Brokopondodam te zullen saboteren door een enkele lichtmast op te blazen. Einde van de lokale aluminiumproduktie en Trinidad blij met de extra werkgelegenheid.

Het voorgespiegelde “hoogtepunt” van vandaag is een bezoek aan wat rest van de tussen 1897 en 1973 door de Evangelische Broedergemeenschap bestierde leprozenkolonie “Groot-Chatillon” die eigenlijk “Bethesda” heette. Het Bijbelse Bethesda was een plaats waar men heen ging om genezing te zoeken, vele malen meer van toepassing dan Groot-Chatillon, de naam van de plantage die er voorheen was gevestigd. Een bedrijf dat overleefde in de slavernij-economie die weinig met “genezing” had te maken, eerder met uitbuiting. We gaan aan wal en lopen door het regenwoud dat hier wordt aangemerkt als een extensie van het Amazonegebied. Hoewel er droevig weinig is te zien, moet ik aan Che Guevara denken die in zijn legendarische “Motorcycle Diaries” beschrijft hoe hij en reisgezel Alberto Granado in het Peruaanse Amazonegebied als vrijwilligers in een leprozenkolonie werkten. Zoals daar, bestond ook hier een strikte scheiding tussen de leprozen en de “gezonden”. Daar een rivier, hier een sloot. En voor de rest heeft de jungle vrijwel alles vernietigd. Het betonnen waterreservoir staat er nog, met aan de voet een mandje met offerandes aan de voorouders en vlakbij, heel raar, resten van de toiletten en stukken muur van rode bakstenen: de doktershuizen. Wat onze reisorganistie ook beweert, een toeristische trekpleister zal dit nooit worden.

wordt vervolgd