DAGBOEK SURINAME - 5 (080913)

Vrijdag 16 augustus 2013 – Overbridge - Jodensavanne - Redi Doti - Casaipora - Overbridge.
De begraafplaats Beth Haim van de Jodensavanne, het Huis van Leven, is veleer het Huis van de Dood. En wat voor een huis? Een zwaar verwaarloosd krot! De oorspronkelijke begraafplaats werd tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgebreid met de grafstenen die gedurende een schoonmaakoperatie in de directe omgeving werden aangetroffen. Zerken uit de tijd dat nog niet alle overledenen centraal werden begraven, maar ook bij het huis waarin ze op de plantage hadden gewoond. Die schoonmaakoperatie is een verhaal apart, omdat hier tussen 1942 en 1946 het Kamp Jodensavanne was gevestigd waar 146 uit Nederlands-Indië afkomstige landgenoten die verdacht werden NSB sympathieën, waren geďnterneerd en dwangarbeid moesten verrichten. Nadat de dwangarbeiders waren verdwenen, nam het tropische woud terug wat tijdens die vier jaar was geruimd. Tot 1967, toen schoonde de TRIS – de TRoepenmacht In Suriname – een ex-schoonvader maakte daar een paar jaar deel van uit – het opnieuw ter voorbereiding op een mogelijk Koninklijk bezoek. In de jaren van de binnenlandse oorlog (1986 – 92) overgroeide de savanne voorlopig voor de laatste keer en sinds de grote schoonmaak van 1999 wordt het gebied onderhouden. Dat wil zeggen het deel waar de ruďne van de synagoge staat, de Joodse begraafplaats ligt er behoorlijk onverzorgd bij. De hier naartoe verhuisde zerken zijn zonder al te veel na te denken op het ruwe terrein gelegd, dat niet vooraf werd geëgaliseerd of van een zandbedje voorzien. De kwalijke gevolgen ervan zijn zichtbaar: stenen verzakken, veel te veel stenen zijn inmiddels gebroken. De gevallen bladeren worden niet weggeveegd met als gevolg mosvorming, op een paar stenen staat zelfs een beginnende termietenheuvel! Desalniettemin is er op een aantal zerken een mooi symbool zichtbaar: de hand van God of de engel des doods die met een bijl een boom omhakt, hetgeen duidt op een te jong geëindigd leven.

Het is overduidelijk dat de onderhoudsploeg van oude mannen aan deze begraafplaats noch aan de nabijgelegen begraafplaats van de vrije niet-Joodse doden, de handen liever niet vuilmaakt. Het getuigt van bar weinig respect voor zowel de stoffelijke resten van hen die hier liggen begraven als voor het Werelderfgoed. In mijn ogen is de niet-Joodse begraafplaats behoorlijk uniek. Een veldje met, zo vermoed ik, ruwe planken die de grafsteen vervangen. Ze zijn uit een enkel stuk hout vervaardigd en hebben aan de bovenkant een bolvormige of hartvormige decoratie, een aanduiding dat er een man of vrouw ligt begraven? Of een symbool dat iets anders betekent? Volgens de verklarende tekst bij de ingang zou de hartvorm een sankofa of een akoma kunnen zijn, adinkra symbolen uit Ghana, maar misschien ook niet. Die Ghanese connectie wordt in Suriname vaker gemaakt. De West-Indische Compagnie bezat in Ghana het Fort Elmina vanwaar slaven naar de overkant van de Atlantische Oceaan werden verscheept, naar logischerwijs andere WIC filialen zoals de kolonie Suriname. De houten grafmonumenten lijken op een abstracte weergave van een menselijk figuur, die we naderhand op de offerplaatsen in een paar dorpen in het binnenland zullen zien. Maar, als er hier niet snel wat gebeurt, is het binnenkort gedaan met deze begraafplaats. Het hout van de zerken is aan het rotten, een paar hangen achterover alsof ze dronken zijn, het verval is gevorderd. Is de Stichting Jodensavanne soms niet echt geďnteresseerd omdat het om andersgelovigen gaat? Volgens mijn terzake kundige reisgenoot is het hout op eenvoudige wijze te conserveren en kost het geen fortuin om het tegen weer en wind te beschermen zonder dat het karakter wordt aangetast. Het zou doodzonde zijn als er niet op korte termijn wordt ingegrepen, ik heb echter mijn twijfels of het zal gebeuren.

Even buiten de ingang van de Jodensavanne aan de landzijde begint het Cordonpad, wat mij betreft een nietszeggend zandpad, maar toen het werd aangelegd was het de mogelijke oplossing voor een ernstig koloniaal probleem. Een verdedigingslinie van zand in plaats van water, zoals de waterlinie die in het moederland de vijanden bij Holland vandaan moest houden. De “vijanden” van de plantagehouders in Suriname waren de weggelopen slaven, de marrons. In 1774 werd besloten om het “Cordon van Militaire Verdediging” aan te leggen dat marronaanvallen moest voorkomen, maar ook het vluchten van slaven. Dat 94 kilometer lange, tien meter brede pad met sloten van 1,20 meter aan beide zijden en om de zoveel kilometer een wachtpost, heeft naar het schijnt nooit echt opgeleverd wat de bedoeling was. Meerdere verdragen met de marrons en de oprichting van het Korps Zwarte Jagers om weggelopen slaven te vangen en hun nederzettingen te vernielen, maakten het Cordonpad overbodig. Uiteindelijk werd voor de bewoners van de savanne de handel met de soldaten van de nabij gelegen Post Gelderland de belangrijkste inkomstenbron. De neergang van een bloeiende gemeenschap in het woud waar kapitalen werden verdiend, kan niet wranger worden beschreven. Nadat een grote brand de Jodensavanne in 1832 verwoestte, werd er zelfs geen moeite meer gedaan tot herbouw, de meeste voormalige bewoners haddden zich in inmiddels in het confortabele Paramaribo gevestigd en taalden niet meer naar het leven op de plantage.

wordt vervolgd