OP ONTDEKKINGSREIS IN ROTTERDAM – 7 – HOERENHONDJES (25102013)

Een schemerige zaal op de hoogste verdieping van het museumgebouw. Ter verwelkoming staan een paar verzen van het gedicht de “Havensteden” van Jan Slauerhoff op de “buitenmuur”, waarvan de eerste regel “Alleen de havens zijn ons trouw” luidt. De Friese scheepsarts van wie ik een boek met die titel in mijn koffer meenam naar Nigeria om naderhand in de Ghanese hoofdstad Accra op zoek te gaan naar gebouwen die hij daarin had beschreven. Dat was ruim zestig jaar nadat Slauerhoff ze had gezien en – niet geheel onverwachts – tevergeefs. 't Is niet dit gedicht, maar de titel van de tentoonstelling die mijn nieuwsgierigheid heeft opgewekt – Sex & The Sea – en niet te vergeten de makers: Peter Greenaway & Saskia Boddeke. Hoewel het gedateerde gedicht – Slauerhoff overleed in 1936, net 38 jaar oud – toch heel actueel aandoet, zeker deze vier regels spreken voor zichzelf:

          Ik heb een home in iedre stad,
          Voor 's nachts een vaste ankerplaats,
          Ik geef de gage af die 'k had,
          Vergeet haar - eens weer buitengaats.

Het is de opmaat naar de expositieruimte die erachter ligt: een rood verlicht raam waar achter een slordig opgemaakt eenpersoonsbed is te zien met zo'n witte wollen deken met rode strepen aan de bovenkant, zo eentje uit de pre-dekbedtijd. Onder het bed staat een koffer met condooms en een koffer met Playboys. 't Overduidelijk een peeskamertje. Op de vensterbank staan twee hondjes van aardewerk, Engels porselein uit het Graafschap Staffordshire. Deze door zeelieden mee naar huis gebrachte Staffordshirehondjes of schippershondjes kregen zowaar een nuttige functie in het vaderland, het werden seinhondjes. Naar het schijnt moesten de zeemansvrouwen nogal eens in hun eigen onderhoud voorzien, hetgeen sommigen als prostituee deden. De manier waarop de hondjes in de vensterbank stonden gaf aan of ze “bezoek” hadden – dan keken de hondjes elkaar aan – of alleen waren. Dit gebruik werd naderhand door professionele prostituees overgenomen en vervolgens gingen de schippershondjes in de volksmond “hoerenhondjes” heten. Vandaar hun hier gerechtvaardigde en overdadige aanwezigheid.

In het peeskamertje wordt op drie wanden een film geprojecteerd waarin zeelieden over hun escapades in vreemde havens vertellen. Over made-bemanningsleden die met dezelfde vrouw hadden geslapen en van wie je derhalve de “kutzwager” was geworden, een woord dat ik bijna een mensenleeftijd geleden voor het laatst hoorde. Over geslachtsziektes die men opliep, over homo's aan boord – die had je niet, want niemand kwam uit de kast – over de voorkeur voor een bepaald type vrouw Een oudere zeeman vertelt dat ie ooit op het mooie lange haar van een zwarte vrouw was gevallen en de volgende ochtend ontdekte dat het een pruik was. “Gadverdamme, net of ik naast een vent wakker werd!” Een beginnende zeeman vertelt met een verlekkerd gezicht dat de billen en borsten van zwarte vrouwen zo lekker rond en vol zijn en daarom zijn voorkeur genieten. Van wat van die verleidelijke volle billen zouden kunnen zijn, staan er een paar in een vitrine. Het bijschrift onthult echter dat dit de Coco de Mer is, een van de Seychellen afkomstige kokosnoot die in de 16e eeuw de fantasie van zeelieden in de Indische Oceaan op hol deed slaan. Die dingen dreven op het water en lijken echt sprekend op een paar welgevormde vrouwenheupen.

Een lange wand waartegen koffers liggen gestapeld. In sommige daarvan collages die met het zeemansleven te maken hebben. Brieven en kaarten naar het thuisfront, de instrumenten van de scheepstandarts, flessenpost, schelpen, foto's van geliefden. Een monsterboekje met stempels en handtekeningen van Ambtenaren van Aanmonstering: “This is to certify that nothing is known against Jo Pieter Priesters, geboren te Hoedekenskerke”, een bewijs van goed gedrag. En bovendien ook nog eens wat raadgevingen zoals “Men onthoude zich van buitenechtelijk verkeer. Met buitenechtelijk verkeer schaadt men zeer vaak zijn lichaam en brengt men zijn geweten in onrust”. Alsof de schrijver van die woorden een ervaringsdeskundige was. Een koffer vol met hele en onthoofde hoerenhondjes, rondborstige houten boegbeelden, wandschilderingen van wulpse pin-ups en eentje van Popeye the Sailerman met een enorme uit zijn gulp stekende stijve penis. “True Seaman”, luidt het bijschrift.

Een kabinet gewijd aan geslachtsziekten hangt vol met zeesponsjes die in een zaaddodend middel werden gedoopt alvorens men aan de slag ging, de door de Nederlandsche Vereeniging tot bestrijding van Geslachtsziekten uitgegeven brochure “Eene waarschuwing aan Zeelieden”, maar ook de mededeling dat de schaamluis – het platje – een bedreigde diersoort is geworden omdat men tegenwoordig de onderbuik zo keurig scheert en dus de natuurlijke habitat heeft vernietigd..... Een uitstalkast is gevuld met mooie hoerenhondjes in allerlei soorten en maten, gave exemplaren. Mijn gezelschapsdame en ik beginnen vrijwel gelijk te grinniken. In het appartement in het Franse Maasdal waar we deze zomer een paar keer logeerden, stonden een paar van die hondjes op de televisie. Pas nu ontdekken we hoe die dingen heten, bij een volgend bezoek zet ik ze daar gelijk in de vensterbank.