DAGBOEK SURINAME - 6 (130913)

Vrijdag 16 augustus 2013 – Overbridge - Jodensavanne - Redi Doti - Casaipora - Overbridge.
Redi Doti – Rode Aarde – heet het dorp aan het eind van de weg, 't is het buurdorp van de Jodensavanne. Tijd voor de eerste dorpswandeling om kennis te maken met de verschillende bevolkingsgroepen die er in Suriname wonen. Redi Doti is een “inheems” dorp. Tijdens de koloniale tijd was het een Indianendorp, post-koloniaal zijn de Indianen benoemd tot Inheemsen. Terecht. Wat er echter inheems is aan dit dorp is moeilijk te ontdekken, stenen huizen, een school, het bord aan de dorpsgrens dat wordt gesponsord door een aanbieder van mobiele telefonie, een medische post, elektriciteit. Weinig traditioneel, dat wil zeggen geen van palmbladeren en hout gebouwde hutten die je van de foto's kent, maar daarvoor ligt Redi Doti waarschijnlijk te dicht bij Paramaribo. Het onderwijs op het dorpsschooltje is trouwens in het Nederlands, dus de plannen om onze moedertaal af te schaffen en te vervangen door het Engels of het Sranang Tongo hebben het – nog? - niet gehaald. We wandelen verder naar de rivier om via het water, als het tenminste meezit, naar het vlakbij gelegen Cassipora te gaan, eveneens een voormalige Joodse enclave in het regenwoud. Shafyd, onze gids voor de reis door het binnenland, heeft dit onderdeel van het reisprogramma niet genoemd en heeft er desgevraagd niet echt zin in om er naartoe te gaan. Hij is nogal verbaasd als hem ernaar vraag en reageert met “daar gaan we al heel lang niet meer naar toe”, om naderhand bij te draaien met “het hangt af van de waterstand of we aan land kunnen gaan.” De tegenzin droop er vanaf. Aangekomen bij de plek waar Cassipora zou moeten liggen, stuurt de gids de bootsman in het voor ons onverstaanbare taki-taki naar een duidelijk niet toegankelijke landingsplaats. “Zoals jullie kunnen zien, kunnen we hier helaas niet aan land gaan. Het toegangspad is trouwens ook helemaal dichtgegroeid”. Ik vraag me af of wat we voorgeschoteld krijgen inderdaad de “toegang” naar Cassipora is. Maar ja, daar zal ik dus nooit achterkomen.

Zaterdag 17 augustus 2013 – Overbridge – Brokopondo – Brownsweg - Brownsberg.
De zware regenbui vroeg in de morgen valt gewoon, ondanks dat het regenseizoen officieel voorbij is. Het groen langs de tweebaans Afobakaweg lijkt daardoor groener, net zoals het witte zand witter lijkt en de rode lateriethoudende grond roder. We steken de internetgrens over, hierna wel mobiele telefonie, maar geen internet meer. Een lange rij electriciteitsmasten parallel aan de weg brengt stroom van de Brokopondodam via aluminiumertsverwerker Suralco naar Paramaribo. De nummers op de masten dienen tegelijkertijd als huismummers, “Familie Roberts – Mast 80” staat er op een bordje in de berm. Kleine dorpen langs de weg en afslagen naar strandjes die langs de Surinamerivier zijn aangelegd. Er worden, zo te zien vergeefse, pogingen gedaan om een van de weg geraakte vrachtauto met een graafmachine weer op het rechte pad te krijgen. Er is kennelijk geen ANWB of takelservice beschikbaar. De KRACHTOPWEKKINGSCENTRALE BROKOPONDO verschijnt aan de rechterkant van de weg, een teleurstellende eerste kennismaking met dit toch legendarische project. Een hoge niet al te lange zwarte dam met halverweg de “nooduitgang” voor het geval het water in het meer aan de andere kant te hoog zou stijgen. Niet de krachtige stralen water die ik had verwacht om de turbines aan de gang houden. Vanaf de dam is het stuwmeer te bewonderen: veel water, af en toe een korjaal, een enkele boomtop die boven het oppervlak uitsteekt. Dat laatste komt doordat het bos in het onder water gezette gebied niet werd gekapt. Te duur. Nadat het water in de turbinekamers de stroom heeft opgewekt, stroomt het in de Surinamerivier verder naar de Atlantische Oceaan.

Het reisdoel voor vandaag is het Brownsberg Natuurreservaat op de top van de 523 meter hoge Brownsberg. Tijdens de stop in het dorp Brownsweg om te fourageren bij de Chinese supermarkt, heb ik een driehoeksdiscussie met de “Chinees” over het statiegeld van de djogo die we er hadden gekocht. Ik lever de fles in en wil het statiegeld terug ontvangen, de man spreekt Nederlands, noch Engels. Hij roept er een Marronman bij, legt aan hem in het Sranan Tongo uit wat hij mij wil vertellen, hetgeen vervolgens in het Nederlands wordt vertaald. Het levende bewijs van wat de gids eerder had verteld, namelijk dat de Chinezen wel heel snel het Sranan van hun klantenkring leren spreken, doch zelden tot nooit Nederlands, de officiële taal van het land. Bergopwaarts een laterietpad op. Nog maar net onderweg begint het te regenen, steeds harder. De chauffeur slipt zijn weg door de af en toe zachte oranje modderbrei totdat er twee bomen over weg liggen, over een weg die te smal is om te keren. Alsof het om een routineklus gaat wordt een soort stevige aandrijfriem tevoorschijn gehaald, om de boomstam en de voorbumper van de bus gebonden, waarna het nodige trekwerk begint. Voordat we het weten ligt de stam in de smalle berm en kan de rit worden vervolgd. Eenmaal boven op de berg is er een mooi uitzicht over het Brokopondomeer en krijg je pas echt een indruk van hoe groot die plas water eigenlijk is: 1.560 km2.

wordt vervolgd