|
DAGBOEK SURINAME - 12 (12102013)
Donderdag 22 augustus 2013 – Danta Bai – Pikin Slee – Danta Bai.
Pikin Slee is een traditioneel marrondorp, een dorp waarvan de bevolking tot op de dag van vandaag het geloof van de voorouders aanhangt en zich dus niet tot het christendom of een andere godsdienst heeft bekeerd. Zoiets herken je gelijk als je de “azanpau” ziet, de toegangspoort tot het dorp, waarin overdwars een palmblad hangt om de boze geesten en het kwaad weg te houden. De route naar het Marronmuseum wordt gemarkeerd door houten stoelen die zijn gemaakt door de oprichters van het museum, het houtbewerkende rastafaricollectief Totomboti, hetgeen specht betekent. Leuk gevonden toch? De eerste grote stoel, die uit een enkele boomstam is gehakt, staat als een troon bij de landingsplaats aan de rivier, de laatste staan op het erf van het museum. De leden van Totomboti zijn beeldhouwers en willen dat heel nadrukkelijk weten en tonen. Het Marronmuseum staat ook bekend als het Samaaka Museum en die naam is een stuk toepasselijker omdat de doelstelling is de leefwereld van de Saramakaners te tonen. Volgens de gids kunnen Saramakaners bepaalde letters niet uitspreken, Samaaka = Saramaka of Saramacca. Het interessante van de marrons, althans dat vind ik, is dat de van de plantages weggelopen slaven van verschillende komaf nieuwe gemeenschappen vormden die sindsdien aparte ethische groepen zijn geworden: Saramaccaners, Aukaners, Kwinti, Aluku. Met, net zoals in West-Afrika, begrensde woongebieden – in Suriname door rivieren – en verbonden door taal en gewoonten. Zo leven de Saramaccaanse mannen en hun vrouwen niet onder één dak, maar in gescheiden hutten, iedere vrouw met haar eigen kinderen. Op die manier is het museum dan ook ingericht. Die Saramaccaanse gewoonte verbaast mij allerminst. Dat moment van verbazing onderging ik meer dan 25 jaar geleden toen mijn Gabonese geliefde mij meenam naar een neef met 21 echtgenotes. Hij woonde met al die vrouwen en kinderen aan de rand van de hoofdstad Libreville op een ruim bemeten terrein, formaat klein dorp, nou ja een flink gehucht is misschien een betere omschijving. Een kast van een huis waarin neeflief met zijn “chouchou” zijn schatje, zijn laatste aanwinst en hun gezamenlijke kinderen in woonden, met daarachter een groot erf waarop iedere andere echtgenote een eigen gebouwtje met keuken, woon en slaapkamer had en tenslotte aan de zijkant een klein flatgebouw waar de oudere kinderen eigen kamers hadden zodat ze rustig konden studeren. De discipline werd gehandhaafd door de eerste vrouw, er heerste rust en het was beslist niet chaotisch. De man zelf legde me uit dat het belangrijk was dat iedere vrouw haar eigen keuken had, omdat ruzies tussen de echtgenotes steevast begonnen in een gedeelde keukenruimte. Uiteraard was deze neef alles behalve armlastig en kon zich een dergelijk huishouden permiteren.
Ooit werd mij gesuggereerd dat een goed gevulde linnenkast de basis voor een goed huwelijk zou zijn, de Saramaccaanse variant daarop is een keuken met glimmend geschuurde potten en pannen. Die indruk krijg ik tenminste bij de uitleg van Joni, de rondleidster in het museumpje, die als getrouwde vrouw een ervaringsdeskundige is. Dat ze getrouwd is, toont ze door over haar wikkelrok een soort geborduurde gele halsdoek op de billen te dragen. Jonge meisjes gaan een “kwei” – een de onderbuik bedekkend schortje - dragen na de eerste menstruatie. Dat eerste doekje wordt bewaard en bij het huwelijk aan de bruidegom aangeboden ten teken dat de bruid nog maagd is. Het gaan dragen van deze heupdoek – de panyl - luidt haar volgende levensfase in. Leuk is dat we een dag later een getrouwde vrouw zonder haar panyl “betrappen”. Ze kan er wel om lachen dat we daarover beginnen: “In het dorp weet iedereen dat ik getrouwd ben”, zegt ze, “dus daar doe ik het niet om, dat doe ik alleen als ik mijn man ga opzoeken op zijn werk in de buurt van de Brokopondodam, want daar kennen ze me niet.” Een wel heel erg praktische insteek. Het aan de buitenkant van het dorp gelegen museum is niet al te groot, de collectie derhalve evenmin. Maar zoals overal gaat het om de kwaliteit en niet om de kwantiteit. Mooie referenties naar de overerving en het in stand houden van gebruiken uit de streken waar de slavenvoorouders vandaan kwamen. Wat daarbij ongetwijfeld moet hebben geholpen is dat zowel het klimaat als de Surinaamse vegetatie aardig wat overeenkomst vertoont met West–Afrika, hoewel ik in Ghana – men gaat ervan uit dat daar de meeste slaven vandaan kwamen - geen echt dicht regenwoud heb gezien. Raspen voor de yam met daarnaast de gevlochten kokers om het daarna te wassen en/of van het gif te ontdoen, lage zetels – krukjes - die goed op hun Ghanese tegenvoeters lijken, doch gevoelsmatig het mystieke missen. Na een bezoek aan Kumasi in 1993 schreef ik:“De “stool” - een laag handgesneden houten krukje - is voor de Ashanti een belangrijk spiritueel voorwerp. Het eerste geschenk van een vader aan zijn kind is een zetel en die zetel is het huis van de ziel van de eigenaar”. Verder staat er een mooi voorbeeld van de speelbak voor wat bij de Nigeriaanse Yoruba's “Ayo” heet en hier?? En dan dat altaar in de hoek.
wordt vervolgd
|