DAGBOEK SURINAME - 14 (21102013)

Vrijdag 23 augustus 2013 – Danta Bai – Duwatra – Bekiokondre – Danta Bai.
Net als de afgelopen twee dagen vind ik het toilet ´s nachts op de reuk. Bovendien is de vloer zo te zien zeiknat. Gadverdamme! De enige schoonmaakster van Danta Bai is al sinds onze aankomst op dinsdag afwezig in verband met de rijstoogst, moet toch kunnen? Ondertussen wordt er niets schoongemaakt, met als gevolg dat de door alle gasten gedeelde “natte ruimtes” onaangenaam beginnen te geuren en een zekere mate van hygiënische wanorde beginnen te vertonen. Maar er is zowaar midden in de nacht gepoetst, de oogst is kennelijk binnen. Dat wordt bevestigd door de extra passagier die meevaart naar haar stroomopwaarts gelegen dorp Duwatra, waar de dubbele dorpswandeling van vandaag begint. Aan de rand van het dorp staat de drinkwaterinstallatie, in het dorp zien we watermeters, maar te meten valt er niets. De pomp van de nieuwe installatie ging een maand na de ingebruikname kapot en is tot op heden niet gerepareerd. Het hedendaagse werkt dan wel niet, de traditie is hier beter zichtbaar dan in Pikin Slee waar nota bene het Marronmuseum staat dat de Saramaccaanse cultuur en tradities probeert te bewaren. Mooie voorbeelden die we daar niet te zien kregen, krijgen we in Duwatra ongevraagd in de schoot geworpen. Te beginnen met een mooie offerplaats. Zo´n plek is uiteraard centraal gelegen en bestaat uit een op het eerste gezicht door plankjes en palmbladeren afgeperkt stukje land van hooguit negen vierkante meter. Dat is 3 bij 3 bij 3 bij 3 toch? Vanaf de achterkant gezien, steekt er boven het hekwerk een om iets heen geknoopte vaatdoek uit, als een hoofddoek om een hoofd. De ingang van de offerplaats aan de andere kant is voorzien van een azenpau om het kwaad weg te houden, hoewel er bij de toegang tot het dorp ook al een was. Dubbelgenaaid houdt kennelijk zelfs beter bij spirituele zaken, bedenk ik.

Na het opzijschuiven van het “gordijn” van palmblaadjes wordt pas goed zichtbaar hoe deze plek van devotie is ingericht. Een behoorlijk stoere abstracte menselijke figuur die bestaat uit een verticaal stuk hout van ruim twee meter hoog met op “schouderhoogte” een horizontale lat van ongeveer 80 centimeter. Een lange man met een strenge vierkante kop, de representatie van de godheid die door de dorpelingen wordt vereerd. Van de “schouders” naar beneden is een lap met een geblokt patroon gespannen, het zou een paan kunnen zijn. De doek om het hoofd heeft iets weg van een legionairspet die ook de nek beschermd tegen de zon. De geloken ogen zijn gemaakt van kaurischelpen, onder de lange smalle neus een soort Charly Chaplinsnorretje geplakt. Tussen “hals” en “voeten” nogmaals een verdroogd palmblad, aan de voet een kruik van aardewerk. Het geheel is licht overgroeid door een klimplant, het zou een wilde wingerd kunnen zijn. Het doet echter niets af aan de betekenis van deze gewijde plaats binnen de dorpsgemeenschap, want zodra iemand ons ziet fotograferen, worden we streng tot de orde geroepen en gesommeerd er ogenblikkelijk mee op te houden. Omdat we dezelfde Nederlandse taal spreken, kunnen we de man onmogelijk negeren........ Ter compensatie is er een kleinere overdekte offerplaats die we wel naar hartelust kunnen fotograferen. Eenvoudiger, kleiner, maar stukken mysterieuzer, het is een voorouderaltaar. Het respect voor hen die heengingen is trouwens nadrukkelijk zichtbaar in Duwatra in de vorm van diverse traditionele huizen – van hout met een dak van palmbladeren – in verschillende stadia van verval. Als de bewoners zijn overleden, kan het huis niet opnieuw worden bewoond of zomaar worden gesloopt. Het moet rustig afsterven zodat de geesten van de voormalige bewoners rustig afstand kunnen nemen van het aardse leven zodat ze de nieuwe bewoners daarna niet lastig zullen vallen.

Waarvan ik ook zeer ben gecharmeerd en waarvan ik vind dat ze in het museum van de Saramaccaners thuishoren, zijn de handgesneden houten deurposten. Mooi! Uit West-Afrika ken ik de fraai bewerkte houten deuren, maar deurposten? Nee, die heb ik daar nooit gezien. Die deurposten worden gesneden door de man des huizes en zijn qua decoratie variaties op hetzelfde thema: een vrijende man en vrouw. Toegegeven, ik zie dat pas nadat de gids het heeft uitgelegd. Man boven, vrouw onder. Hoe heet dat ook al weer? Jawel, de missionarishouding. En dat terwijl de missionarissen hier absoluut geen succes hebben gehad, spiritueel althans. We komen de vrouw tegen die we een lift terug naar huis hebben gegeven, zij opent de deur van haar voorraadschuurtje zodat we de inhoud kunnen bewonderen. Rijst die nog gedorst en gepeld moet worden, een mand, een cassaverasp en zo'n lange gevlochten filter om de cassave te spoelen en van het gif te ontdoen. Want ja, de vrouw heeft hier nog een heerlijk traditionele rol: zorgen voor de echtgenoot, de kinderen en de keuken. Het volgende dorp in en het volgende dorp uit via de azenpau, niemand houdt zich aan het voorschrift dat mannen links en vrouwen er rechts doorheen moeten lopen. Afgedankte vrieskisten langs het pad. Op de terugweg is het opvallend hoeveel verder het water van de rivier is gedaald, we moeten om de stroomversnellingen heenvaren en ontdekken aldoende op een rots van sloophout gebouwd huisje. Ik noem het zonder verder na te denken een Pietheineekhuisje.

wordt vervolgd