|
DAGBOEK SURINAME - 15 (27102013)
Zaterdag 24 augustus 2013 – Danta Bai – Atjoni - Paramaribo.
Afscheid van de groene muren langs de rivier, voorlopig althans. Afscheid van Boven Suriname, dat is definitief. Even afscheid van de wat minder comfortabele accommodaties. Even afscheid van de eentonige maaltijden van een beginnende kok. Even afscheid van de korjalen. Even afscheid van de stroomversnellingen. In Atjoni weer de lange rijen kleurrijke korjalen die op passagiers en/of vracht liggen te wachten. Op de kade een oude laadbak van een Verkade-vrachtauto die is omgebouwd tot, ja tot wat eigenlijk? In de gesloten zijkanten zijn “ramen” en een “deur” gesneden, op de kop is airconditioning gemonteerd, de stoelen die erin staan kan ik niet zien. Zou dit nu een “jumbo” zijn die net vanaf het Surinaamse Schiphol aan de Saramaccastraat is gearriveerd? Daar vandaan, vlakbij de overdekte markt, vertrekken de busjes naar Atjoni. Tegenwoordig zijn dat “gewone” busjes, voordat de weg tussen Brownsweg en Atjoni echter werd geasfalteerd en het een regelmatig moeilijk begaanbare laterietweg was, reden er trucks met op de oplegger een “cabine” waarin de passagiers plaats namen in afgedankte vliegtuigstoelen. Een “jumbo” dus. En waar vandaan vertrekken de jumbo's? Vanaf Schiphol, vandaar. Aldus opgetekend uit de mond van onze gids. De groene muur langs de rivier is inmiddels vervangen door een groene muur langs een weg, het water van de rivier door glad asfalt, de rotsen in de stroomversnellingen gelukkig niet door gaten in het wegdek, de houten planken van de korjaal door doorgezeten stoelen van een weet ik niet hoeveelste handse bus met voorin een sticker met de waarschuwing SEATBELT VERPLICHT. Als een reisgenoot die naast naast de chauffeur gaat zitten vraagt of de riem om moet, antwoordt deze dat het wel verplicht is, maar niet hoeft...........
De terugreis naar Paramaribo is weinig spectaculair – zelfs enigszins saai - en verloopt verder soepel. Door het bos verscholen mijnactiviteit wordt zichtbaar door de verwijzingsborden langs de weg, achter het groen gelegen dorpjes blijven anoniem. Pas bij het bereiken van de Afobakaweg die van de Brokopondodam naar de hoofdstad loopt, wordt het wegdek minder glad en komt er meer verkeer. De hoogspanningsmasten aan de linkerkant loodsen de weggebruikers naar het fabriekscomplex van SURALCO, het hart van de bauxietindustrie, de reden waarom de stuwdam werd gebouwd en die masten langs de weg staan. Het is een uitgebreid en imposant complex dat, zoals het hoort, door een laag rode bauxietstof is bedekt. Een paar kilometer verderop, maar nog ver van de stad, het Clarence Seedorf sportcomplex “Home of de Para Juniorleague”. Het keurig bijgehouden veld met bijbehorende gebouwen ligt er goed verzorgd bij. De kleedkamers hebben namen: ORANJE en MILAN, onze Surinaamse reisgenoot meldt dat dit mooie gebaar van Seedorf helemaal geen mooi gebaar is, maar is bedoeld om vroegtijdig jonge talenten te ontdekken en daar vervolgens veel geld aan te gaan verdienen. Een ietwat cynische houding, vind ik, een schoolvoorbeeld van de profeet die in eigen land niet wordt geëerd. Ongemerkt rijden we de drukte van Paramaribo in, de winkels sluiten vroeg op de zaterdagmiddag. Zoals vroeger in het moederland. Na tien dagen in de bush even bijtrekken in de grote stad. Slapen in een echt bed, een schone badkamer waar drinkwater uit de kraan komt, internet en airconditioning, ergo grote luxe. Maar ook na vier droge dagen weer een zware tropische regenbui en dat terwijl de regentijd al ruim drie weken voorbij hoort te zijn. En eten en drinken bij 't Vat, het café-restaurant dat ongemerkt onze stamkroeg is geworden.
Zondag 25 augustus 2013 – Paramaribo – Groningen – Nieuw Nickerie.
Een vroege zondagmorgen met nauwelijks mensen op straat in het centrum van Paramaribo. De deuren van de Maarten Lutherkerk staan open, er is uiteraard geen airconditioning in die oude kerk. De uit de bus zichtbare kerkgangers kijken geconcentreerd naar de preekstoel. Het zal, maar dat weet ik dan nog niet, een heel erg lange monumentendag worden. Het begint gelijk al bij de begraafplaats Marius Rust waar een monument staat voor de slachtoffers van de grootste luchtramp ooit in Suriname. die van vlucht PY764 die op 7 juni 1989 neerstortte bij een mislukte landingspoging. Slechts 11 van de 187 inzittenden overleefden het ongeluk. ”Dit monument wordt onderhouden door de Suriprofs” staat er groot aangekondigd, de laatste keer dat er onderhoud werd gepleegd lijkt echter geruime tijd geleden. Onkruid alom. Het momument bestaat uit vier motoren van een DC8 die op kolommen zijn geplaatst, op die kolommen staan de namen en geboortedata van de slachtoffers. De reden dat juist de Suriprofs het onderhoud betalen, is dat er een aantal profvoetballers van Surinaamse afkomst bij de ramp omkwamen. De rest van dit deel van de begraafplaats maakt trouwens een behoorlijk onverzorgde indruk, de uitbundige tropische plantengroei gaat overal dwars doorheen. Eenvoudige tot zeer eenvoudige zerken die bestaan uit een redelijk ruw afgewerkte betonnen toplaag waarin toen alles nog nat was met een vinger – daar lijkt het tenminste op – de naam, geboortedatum en sterfdatum van de overledene werden “geschreven”.
wordt vervolgd
|